Home

Zwanen

door Johan Polak & Frans Goddijn

Samen lopende door het Arnhemse Bereklauw, een straatje met arbeiderswoningen, dat ingeklemd ligt tussen oude, lage flatgebouwen, werden we plotseling opgeschrikt door een schril, onwerelds gefluit achter ons. We keken om en zagen twee zwanen, die door hun grote vleugelveren gedragen, op weg waren naar een nabijgelegen water. Ze vlogen zo langzaam, dat het een raadsel leek hoe ze in de lucht konden blijven. De lange halzen vooruitgestrekt, zwenkten zij boven ons hoofd, en verder vlogen ze over de autodaken, traag en moeizaam klimmend naar de nokhoogte van de flats, een laatste hindernis die genomen moest worden om in glijvlucht op het water neer te dalen. De verschijning van een UFO had niet wonderbaarlijker kunnen zijn. Iets van on-natuur, een vliegmachine, zou beter gepast hebben in deze bakstenen omgeving, waar de achtertuintjes dichtgebouwd zijn met afdakjes voor de brommers, de voortuintjes betegeld liggen ter wille van de auto's en het meertje is ontstaan door uitbaggering, terwijl de kade met afval en puin is bedekt. Hoeveel indrukwekkender heeft Ida Gerhardt zo'n ontmoeting metzwanen onder woorden gebracht:

Hadden wij nimmer nog zwanen gezien,
Zóuden wij hen op het water ontwaren,
o, wij zouden van vreugde vervaren-
lachen en schreien misschien.

Hadden wij nimmer nog zwanen gezien,
vlogen zij óver met ruisende slagen,
o, wij zouden dit duister verjagen-
eindelijk bevrijd zijn misschien.

(De Profundis, HET STERRESCHIP 1979)

De zwaan komt in de dichtkunst al vanaf de vroegste overlevering voor. Wonderlijk genoeg doorgaans als een zingende vogel. Vermoedelijk heeft geen sterveling ooit een zwaan horen zingen, maar het woord "zwanezang" hoort tot het beschaafde nederlands en het symbool van de zingende vogel bleef door alle tijden heen gehandhaafd: Vergilius , geboren in Mantua, heet de Mantuaanse Zwaan. Stellig in navolging hiervan werd onze Vondel aangeduid als de Agrippijnse Zwaan, afkomstig als hij is uit Keulen, oorspronkelijk een Romeinse nederzetting, in de oudheid Colonia Agrippina genaamd.

Als er werkelijk een zingende zwanesoort heeft bestaan, dan moet die in de voortijd al zijn uitgestorven. Maar ook de grootste dichter van het republikeinse Rome, gestorven in het jaar 55 voor onze jaartelling, Titus Lucretius Carus, schrijver van het machtige en sombere DE RERUM NATURA, spreekt van het gezang der zwanen. Het werk van Lucretius is een leerdicht, wat wil zeggen dat hij de wijsgerige opvattingen van de Griekse filosoof Epicurus, zijn grote leermeester en voorganger, in hooggestemde verzen aan de mensheid verkondigt. In een hoofse aanroep tot Epicurus zegt hij:

U, volg ik, sieraad van den Griekschen stam,
En in de sporen Uwer voeten druk ik
De beeltenis der mijne, niet zoozeer
Uit ijverzucht als: liefde zoekt ook zelve
Gelijk te worden aan den welbeminde.
Want anders, zou de zwaluw durven zingen,
Als daar verrijst het prachtige gezang
Der zwanen; zou het jonggeboren bokje
Met wankelpootjes willen evenaren
Den scherpen hoefslag van het volbloed paard?

Dat iemand zó kan dichten! Want niet alleen het latijn van Lucretius is schitterend, maar deze verzen zijn in het nederlands herdicht door niemand minder dan J.H. leopold. Ida Garhardt, die in de veertiger jaren op een beredeneerde vertaling van twee boeken uit DE RERUM NATURA is gepromoveerd, bekent eerlijk stil te vallen bij een weergave als de bovenstaande, en de neiging te voelen haar eigen vertaling als ontoereikend te verwerpen.

De zwaan als symbool voor de koning der goden: Leda, gemalin van de mythische vorst Tyndareos, heerser over Sparta, wordt verkracht door Zeus! De oppergod overvalt haar in de gedaante van een zwaan. Vele malen is dit gebeuren bezongen, of uitgebeeld in de schilderkunst. Van 1923 is het beroemde sonnet, geschreven door W.B. Yeats, hieronder weergegeven in een herdichting van A. Roland Holst:

Een slag - en groots boven haar wankelval
klapwiekt hij nog, strelende met de duistre
vliezen haar dij, haar nek omsnaveld al,
haar borsten weerloos aan zijn borst gekluisterd.

Hoe moeten, van haar wijkende dijen, vaag
die angstvingers de veren pracht vandaanslaan?
Wat kan, in die witte stormloop neergevlaagd,
het vlees dan op zich 't vreemd hart voelen aangaan?

Een sidd'ren in de lendenen verwekt
de muur in puin, torens in vlam en rook,
en Agamemnon dood.
                        Zo zijnde ontrukt,
door 't woest bloed van de lucht zo overladen,
gewerd haar met zijn macht zijn weten ook
voor haar zijn bek weer achtloos los kon laten?

(Leda and the swan, uit: The Tower, 1928)

De Trojaanse sagenkring samengevat in één sonnet! De komst van Zeus bleef niet zonder gevolgen: Leda legde een of twee eieren, uit het ene ei kwam het tweelingpaar Castor en Pollux gekropen, uit het andere, wellicht, het zusterpaar Helena - bewundert viel und viel gescholten, Helena - en Klytaimnestra. De laatste huwt Agamemnon, de eerste wordt de gade van Menelaos. Helena verveelt zich kennelijk en laat zich schaken door de Trojaanse prins Paris, aan wie door Aphrodite de mooiste vrouw van Griekenland was beloofd. Om deze schaking te wreken, trekken de verzamelde Grieken tegen Troje op, aangevoerd door Agamemnon. Tien jaar duurt de strijd en pas door de list met het houten paard wordt de Trojaanse burcht ingenomen, geplunderd en door brand verwoest. De keur van de Griekse manschap is intussen op het slagveld gevallen. Om Josef Brodsky te citeren uit het bericht van Odysseus tot zijn zoon Telemachus:

Mijn Telemachus,
                        de Trojaanse oorlog
is voorbij. Wie won - ik herinner het mij niet.
Misschien de Grieken: zoveel gesneuvelden
ver van huis achterlaten kunnen alleen de Grieken.
(...)

(ODYSSEUS AAN TELEMACHUS, vert. W. van Lakwijk)

Menelaos keert huiswaarts... met zijn Helena. Haar misstap heeft hij haar vergeven. Agamamnon wordt na thuiskomst in het bad vermoord. Klytaimnestra kon hem de offerdood van haar oudste dochter Iphigeneia niet vergeven. Deze was op het altaar van Aulis geslacht om een gunstige wind voor de Grieken te verkrijgen, want de Griekse vloot, bestemd voor de strijd tegen Troje, had door windstilte al weken niet kunnen uitvaren. Klytaimnestra en haar overspelige minnaar, Aigistos, worden op hun beurt gedood door Orestes, het zoontje, dat uit het paleis was gesmokkeld na de dood van Agamemnon, en dat nu, volwassen geworden, de moord op zijn vader kwam wreken. Een onafgebroken reeks van plundering, brand, moord en doodslag. Had Leda dit op het hoogtepunt van de ontmoeting met Zeus kunnen voorzien, dit vreselijke bloedvergieten als gevolg van die ene geslachtsdaad? Dit is de klemmende vraag die Yeats aan de orde stelt.

Een kleine eeuw voordat Yeats zijn vers schreef, koos Baudelaire, de stamvader van de hedendaagse dichtkunst, de zwaan uit als symbool voor de balling. Hij droeg zijn gedicht, LE CYGNE, op aan Victor Hugo, ook een balling, die toen als de grootste Franse dichter werd beschouwd. De gedachten van Baudelaire vinden hun uitgangspunt bij de Trojaanse oorlog. Hij roept de schim op van Andromache, de weduwe van Hektor, als krijgsbuit toegewezen aan Achilles' zoon Neoptolemos. In haar bannelingsoord heeft zij een lege grafheuvel opgeworpen ter nagedachtenis aan haar gevallen man. Zwervende door Parijs, de oude middeleeuwse stad die hij door en door kende, voelt ook Baudelaire zich verbannen. Het zijn de jaren van de grote doorbraak. Het oude Parijs met zijn nauwe kronkelige straatjes is gedoemd te verdwijnen en plaats te maken voor een stad met brede straten en grote pleinen.

Verdwenen is het oud Parijs (de vorm van steden
verandert eer, helaas, dan 't sterfelijke hart);

Aangekomen bij een barakkenkamp van de nieuwbouw, waar eens een dierenpark gevestigd was, herinnert de dichter zich:

een zwaan, die uit zijn kooi had weten te ontsnappen
en die, de vliezen sloffend op de droge straat,
zijn blanke veren op die ruwe vloer liet slepen.
Nabij een droge bedding opende het dier

de bek, nerveus de vleugels in het stuifzand dopend,
en sprak, vol van het meer van zijn geboortegrond: "O water, wanneer val je, bliksem, wanneer klink je?"
Die stakker, dodelijk en vreemd is zijn verhaal,

zie ik, zoals Ovidius de mens, soms rijzen
ten hemel, waar wreedaardig blauw slechst heerst naast spot,
op zijn verkrampte hals de kop begerig strekkend,
alsof hij zich verwijtend richten wil tot God!

(Charles Baudelaire, LES FLEURS DU MAL, [1862 2] vert. Petrus Hoosemans)

De zwaan als balling, de zwaan als zangvogel, de zwaan als godheid. De zwaan, in levende lijve of in het werk van onze grote dichters, is een schepping van van even raadselachtige als overrompelende schoonheid.