Home

Johan zoeken

door Frans Goddijn
Een column over de kermis, geschreven met mijn liefste vriend en leermeester Johan, is het laatste stukje geweest dat Johan en ik samen opzetten en vorm gaven tijdens een van die hectische, gelukkige werkdagen. We plaagden elkaar en vrolijkten elkaar op, beantwoordden telefoontjes en ontvingen vaak een gast die een vraaggesprek wilde met Johan. Daartussendoor vonden we een aantal stille, geconcentreerde uren waarin we telkens opnieuw elke zin van een tekst-in-wording doornamen, deze hardop aan elkaar voorlezend, vanaf het beeldscherm, vanaf de eerste proef-prints en uit het hoofd. Johan beschikte over de gave om stijlfouten niet te zien - hij las de tekst hardop voor zoals deze behoorde te zijn en struikelde over de lettertekens wanneer die nog niet op hun enig mogelijke, goede plaats stonden. Zelden spraken we lang over een wijziging, door hem of mij voorgesteld. Johan speelde weleens gekwetst te zijn en hief dan zijn armen in wanhoop, terwijl hij uitriep hoe pijnlijk het voor hem was dat ik, ongedurig herschrijvend wat hij dicteerde, ``de verrukkelijkste stijlfiguren, mooie oude grachtengevels stukmaakte tot eenvoudige rijtjeshuizen en platte tekst'', maar we voelden dat we, schrijvend, afgezonderd van alle anderen, onze intiemste vriendschap vierden. Af en toe stapte Johan op van zijn bureau en ging achter in onze grote werkkamer thee drinken. Hij liet dan het schrijven van een volgende versie aan mij over, maar was op elk gewenst ogenblik bereid, aan de lange eettafel, de nieuwe tekst te redigeren, mits ik deze in een plastic hoesje bij hem bracht: ook een kladversie diende onberispelijk en onbevlekt na voltooiing van het artikel te worden opgeborgen in het archief. Nu blijft het stil op kantoor. Ik zoek mijn makker in de woorden die ik schrijf.