Home

Gerrit Hoogstraaten, Het schip van zand, drie verhalen gebundeld

door Johan Polak & Frans Goddijn
Het schip van zand begint met het titelverhaal. Een auteur en zijn jonge zoon hebben een huisje aan zee gehuurd. De jongen bouwt van zand een schip, de vader

vertaalt een schaderapport van een schipbreuk. De jongen fantaseert dat het schip nodig is voor buitenaardse wezens, de vader wil al schrijvend aan zijn rapport literatuur maken. Op het eind kijken vader en zoon toe hoe de zee en de wind het zandschip vernietigen. "Een plank liet los en dreef statig weg, ondanks golven en geselende regenvlagen."

In het tweede verhaal, NETTE HEER ZOEKT REISGEZELSCHAP, heeft een muziekleraar, een verlegen en niet erg boeiende man, een contactadvertentie gezet. Hij maakt kennis en gaat op vacantie met een vrouw die psychisch gestoord is, zonder dat hij aandacht besteedt aan de signalen van haar gekte. Hij valt op het hoerige in haar verschijning. In het toeristenhotel aan de middellandse zee, waar ze elk apart een kamer hebben, neemt haar waanzin ongemeten proporties aan. Ze ruikt gaslucht, bestrijdt deze vergeefs met GLINSTERING, en wil midden in de nacht een andere kamer.

Met het vrijen wordt het niks: de vrouw houdt hem op afstand, de muziekleraar koestert zijn onanistische herinnering aan een peepshow. De vrouw vlucht voor een hersenschim, laat zich door een vreemde oppikken en wordt verkracht. De reisleidster en de leraar bezoeken haar in een primitief gekkenhuis, vanwaar ze, op een brancard vastgebonden, per vliegtuig naar Nederland wordt verzonden.

WITTE VOGELS, VLEUGELLAM, beschrijft de oppervlakkige verhouding van een jonge man en een oudere getrouwde vrouw. De vrouw was vroeger balletdanseres, en zou het liefst weer dansen. De jongen heeft zelf geen verleden, maar lijkt sprekend op een foto van zijn oom, die als illegaal in de oorlog is gefusilleerd. De

jongen voelt zich moederziel alleen, de vrouw zoekt in hem misschien haar verloren jeugd, zoals de grootouders in hun kleinzoon de verloren zoon willen zien. De jongen probeert een portret te tekenen, de vrouw probeert een korte choreografie te bedenken, en het contact verloopt stroef. In een café worden

beiden wrevelig over het gebrek aan aandacht van de ander. De vrouw bedrinkt zich en loopt weg, de winternacht in, de jongen loopt haar achterna. Ze gaat niet met hem mee. Ze valt in de sneeuw, en weigert zijn hulp. Hij wil niet dat anderen hen zo samen zien, en loopt boos weg. Van een afstandje ziet hij dat de

vrouw op straat gaat dansen. Een taxi, die langsrijdt, neemt haar mee en scheidt hen voorgoed.

Gerrit Hoogstraaten maakt met dit werk van amper honderd pagina's zijn debuut in de nederlandse letteren, en dankt dit aan de gerenommeerde uitgeverij CONTACT. We vergelijken enkele gedeelten met passages uit KOSMOS van WITOLD GOMBROWICZ, en uit FAMILIEDANS van David Leavitt. Het is natuurlijk de vraag of het rechtvaardig is het proza van een debutant te vergelijken met het geschrift

van een gemankeerde Nobelprijswinnaar, die weliswaar nog steeds geen algemene waardering met zijn werk heeft geoogst, maar toch in een kleine kring van fijnproevers, in het bijzonder in Europa, hogelijk wordt gewaardeerd. Met Leavitt ligt de zaak anders: deze schrijver die vrij plotseling beroemd is geworden en in jaren niet zo ver afligt van Hoogstraaten - Leavitt is wat jonger - behandelt thema's die zeer goed vergelijkbaar zijn met de onderwerpen, welke Hoogstraaten aan de orde stelt. Beiden blijken te beschikken over aanzienlijke ervaring op het gebied van stukgelopen relaties en ontwrichte gezinnen, iets wat op de huidige dag zo gewoon wordt gevonden dat de lezer van nu zich misschien zou ergeren of in een ongelovig lachen zou uitbarsten, wanneer hij in een boek geconfronteerd zou worden met een gelukkig huwelijk, een deugdelijke verhouding of een evenwichtig gezin.

De vraag is evenwel, of Hoogstraaten er net zo goed in is geslaagd zijn ervaringen en gevoelens op de lezer dwingend over te brengen als Leavitt, gezien het fenomenale succes van diens eersteling FAMILIEDANS.(FAMILY DANCING, New York, 1984. In Nederland uitgegeven door De Harmonie, Amsterdam 1985). In HET SCHIP VAN ZAND naderen de zoon en zijn vader het naaktstrand. "Hanco wist niet of hij het wel leuk zou vinden als zijn vader alles uittrok. 'Er is hier niks te krijgen,'zei hij. 'Wat geeft dat nou?' 'Maar dan heb ik straks dorst en dan is er niks!' 'Moeten we dat hele stuk weer terug hoor! Nou ja, ik lust zelf ook wel een ijsje.'"

De eerste regel van dit citaat toont de schrijver, die beseft te zijn aangekomen op een plek die misschien de kern van het verhaal kan worden, de wederzijdse liefde tussen vader en zoon, en de sexuele gêne tussen beide. Als het hier mogelijk is liefde en ontroering te beschrijven, dan leven de beide personen, en dan is Gerrit Hoogstraaten een schrijver. Voor zowel de personen als voor hun schepper is deze scène van levensbelang. Bij de woorden "Nou ja, ik lust zelf ook wel een ijsje." is de kans in dit verhaal verkeken. Woord voor woord bezien is er niets verkeerd aan, de zin is heel gewoon, TE gewoon eigenlijk. Als ik het overlees hoor ik meteen de kale koude stemmen erbij, zoals die klinken in hollandse films.

In FAMILIEDANS, van David Leavitt, staat in het eerste verhaal een aangrijpende scène, van een moeder met haar zoon. De moeder is al jarenlang bij vooruitstrevende actiegroepen betrokken. De zoon komt voor het eerst thuis met zijn vriend, en die zomernacht vindt de moeder, wakker geworden door geluid, de jonge mannen tussen de struiken in de tuin, verenigd in liefde, belicht door

haar lantaarn. "Ze legt de zaklantaarn neer en slaat haar armen om zich heen.

'Ik herinner me je nog als jongetje,' zegt ze. 'En wat ik me herinner moet ik nu vergeten. Ik wilde dat je gelukkig werd. En ik ben heel tolerant, heel begrijpend. Maar er is een grens aan wat ik hebben kan."

In ons dagelijks leven worden we zo niet toegesproken. De moeder babbelt niet in cliche's, maar formuleert heel compact, waardoor haar ingehouden emoties dicht bij de lezer komen. Ongewoon beschreven, is de moeder werkelijkheid geworden, terwijl de vader in Hoogstraaten's verhaal van papier is gemaakt.

In de volgende passage van Gerrit Hoogstraaten zoekt de muziekleraar zijn plaats tussen het publiek in de concertzaal: "Als hij even later daadwerkelijk voor al die culturele mensen naar zijn plaats moet schuifelen, half struikelend over nijdig opzij gebogen benen - pardon, even passeren, mag ik er even langs - zou hij zich het liefst onzichtbaar willen maken in zijn iets te wijde jasje en slobberige pantalon. Waarom had hij die niet even naar de stomerij gebracht? Waarom bedacht hij zulke dingen altijd als het al te laat was?

Onder het applaus voor de dirigent die statig de trappen afdaalt, merkt hij opeens dat Laura niet klapt; hij kijkt opzij en schrikt van haar doodsbleke gezicht. Star als een pop zit ze op haar stoel, hij ziet haar halsslagader wild kloppen. Geen paniek, denkt hij. Als ze nu maar niet in paniek raakt. Ik moet iets doen, haar geruststellen, handelen als een man. Ze begint te beven en te zuchten, zo wordt het alleen maar erger. Dan, terwijl het orkest de ouverture inzet, trekt hij resoluut haar arm door de zijne en geeft haar kalmerende klopjes op haar hand."

In KOSMOS, van WITOLD GOMBROWICZ, vertaald door Paul Beers komen twee kennissen, moe en verdwaasd door de hitte, na een lange wandeling aan bij een struikgewas, waarin ze, tussen alle toevallig en onverklaarbaar aanwezige rommel, iets bijzonders vinden.

" 'Laten we gaan.' Maar hij bleef staan, keek, de mus hing, ik stond, keek. 'Laten we gaan.' 'Laten we gaan.' Maar wij verroerden ons niet, misschien omdat wij al te lang hier stonden en het geschikte moment om weg te gaan vervlogen was... en nu werd het al lastiger, ongemakkelijker, wij tweeën met deze mus,

opgehangen in de struiken... en ik kreeg de indruk van een soort wanverhouding, taktloosheid, onbehoorlijkheid aan onze kant... ik had slaap."

Benauwend suggestief wordt hier een groot raadsel geïntroduceerd, waartegen de personages, bevangen door de zomerhitte, geen verweer hebben. Het gaat hun dagdromen beheersen. De lezer krijgt korte, halve zinnen te lezen, die echter zo consequent zijn, de beelden en formuleringen zijn zo doordacht, dat ook de lezer geen ontsnapping kent. De lezer is tot getuige, en tot medeplichtige gemaakt.

Gerrit Hoogstraaten wordt daarentegen onverschillig en slordig. In de atmosfeer van vervelende dagdromen, vergeefse pogingen, en oppervlakkige interesse gaat zijn tekst haperen.

Een muziekleraar zal, in een concertzaal, het publiek niet zien als "culturele mensen". Hoewel het concert 'savonds is, zegt de vrouw naderhand: "Ik wou trouwens zeggen dat ik vanmiddag veel steun aan jou heb gehad." Een vrouw steekt ineens de weg over, vlak voor een taxi die aan komt rijden. Dat beeld moet een aanrijding worden, want ze is vlak voor de taxi en de taxi rijdt.

Maar er gebeurt niets, en de taxichauffeur, die een ongeluk op onwaarschijnlijke manier kon voorkomen, en daarvan geschrokken moet zijn, reageert nuchter: "Die heeft haast. Had U gebeld, mijnheer?".

Een redacteur had op dergelijke toch belangrijke kleinigheden.