Home

Woudsend

door Johan Polak & Frans Goddijn

Pas 's avonds laat vind ik de rust om te dwalen van het ene vers naar het andere, in het bed waar enkele bundels klaarliggen, mijn kussen als rugsteun tegen de muur aan het hoofdeinde, mijn vriendin sluimerend naast mij. Ik aai zachtjes haar haren terwijl ik lees. Wanneer ik regels heb gevonden die mij willen vergezellen in de nacht, zucht ik, sluit het boek, dim het licht en laat de nacht beginnen - tenzij we besluiten deze nacht nog even uit te stellen.

Gisteren nam ik de GROTE POEZIE BLOEMLEZING. De kanariegele paperback op Gouden-Gidsformaat van de Citroenpers ligt soepel op schoot. Deze GPB is bedoeld voor slechtzienden, maar het is ook voor mijn bijziende ogen prachtig om een gedicht zo heel groot te zien afgedrukt, als een annonce van het leven zelf. Op krap honderdvijftig bladzijden wordt onze vaderlandse po‰zie gegeven. Kleine dichters krijgen, onder hun naam, geboortejaar (en sterfjaar), maar ‚‚n kans om de lezer te zeggen waarvoor ze hebben geleefd. Wanneer die paar regels de lezer koud laten, lijkt alles vergeefs geweest. P.N. van Eyck staat erin met het ene gedicht waardoor hij voortleeft in het geheugen van zijn landgenoten (ten onrechte, want hij is een groot dichter):

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: 'Heer, Heer, ‚en ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!'-

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

'Waarom,' zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
'Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?'

Glimlachend antwoordt hij: 'Geen dreiging was 't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan.'

[P.N. van Eyck, 1887-1954 De tuinman en de Dood]

Terwijl ik dit vers herlees, kijkt mijn vriendin mee. Zij kan de grote letters vanaf haar kussen in de schemering makkelijk lezen en ze onderbreekt mijn gedachten: "Misschien heeft Reve met zijn Woudsend naar dit gedicht verwezen".

Nu weet ik, wie gij zijt,
de jongen die ik eenzaam zag te Woudsend en daarna,
nog op dezelfde dag, in een kafee de Heeg.
Ik hoor mijn moeders stem.
O Dood, die waarheid zijt: nader tot U

[Herkenning, Gerard Reve]

"Natuurlijk niet!", antwoord ik, verstoord in de laatste, dichterlijke momenten van de dag. Ik doof het licht met de draaiknop van onze dimmer. Dan, in het donker, herhaal ik de regels voor mezelf. Ik vind Reve's gedicht mooi door de schijnbaar willekeurige wijze, waarop hij laat zien hoe hij in een kort gedicht twee plaatsnamen verenigt. Beiden spreken over de dood en een mens, dezelfde dag op twee plaatsen herkend... Ik wist niet of mijn vriendin al sliep of misschien mokte, maar ik sprak, schuchter in het donker, "je hebt gelijk", en wachtte op de komende nacht.