Home

Winter

door Johan Polak & Frans Goddijn

In de winter van 1962-63 lag de sneeuw van Lapland tot in Marokko. De palmen op de Boulevard des Anglais waren doodgevroren. Langs de Velperweg in Arnhem, waar nu futuristische kantoorgebouwen zijn neergezet, stonden ooit herenhuizen, sommige verscholen achter een dichte haag van bomen en hoge struiken. Een paar keer per jaar durfde ik deze terreinen te betreden, om kinderpostzegels te verkopen, of als padvinder een heitje voor een karweitje te vragen, maar de opbrengst was gering en ik zag slechts een glimp van de bewoners, en een beeldentuin, en een onberispelijk gedekte tafel achter een groot raam. De winter is mij bijgebleven door een laagje ijs. Ik speelde bij een vriendje in de stad. Zijn familie dreef een meubelzaak, die zich uitstrekte over bijna alle verdiepingen van hun oude huis. Men had het te druk in de winkel om op ons te passen en dat betekende voor mij een avontuur. Wij maakten zelf warme chocola. Daarna gingen wij de tuin in: een hoog ommuurde binnenplaats. Deze stond, rondom een kale boom, vol met afgedankte kerkbanken, bedekt met ijs. Op deze vreemde plek, midden in de stad, waar niemand acht op ons sloeg, speelden wij. Op weg naar huis, het was vroeg donker, liep ik over de Velperweg langs de rhododendrons. Hun bladeren droegen een doorzichtig folie van ijs.

De dichter Hans Lodeizen woonde gedurende zijn lagere-schooljeugd eveneens in Arnhem, stellig in zo'n statig huis. Hij overleed in 1950. Welke winter heeft zoveel indruk op hem gemaakt?

Winter, jij bent een slechtaard
in de huizen verstop je je
als een kind zie ik je alle scholen
binnen hollen met je lichaam
in een tas o winter jij bent
een slechte meester

een klein beetje vuurwerk daarmee
ben ik tevreden o winter geef mij
wat vrolijkheid knip een stuk
van deze middag af gooi een sprookje
in het water van de nacht
o slechte meester

dag slechte winter, scharenslijper,
met geschramde knieën hol je
over de speelplaats als knikkers
uit de wolken van een hemel naar het blauwe
hemd waar het witte krijtje rijdt van
een slechte meester.

Trouwe lezer Aldert Walrecht zag de parallel met Charles d'Orléans, beroemd om zijn rondelen:

"Yver, vous n'estes qu'un villain"

Oh winter, wat ben jij vilein...
de zomer is plezant en blij,
dat ziet men in april en mei
als alle dagen sierlijk zijn

De zomer kleedt bos, veld en wei
in een ornaat van groen satijn
en vele kleuren nog daarbij:
Natuur gebiedt dan zonneschijn.

Maar winter, jij doet ons slechts pijn
met sneeuw en storm en vriezerij...
Ik zeg hier, zonder vleierij:
de winter moest verbánnen zijn,
want winter, wat ben jij vilein!

[vert. Ernst van Altena]