Home

Wilde

door Johan Polak & Frans Goddijn

We vinden nog net plaats in een coupé, terwijl we ons gesprek voortzetten. "Tsja, hoe ziet die man eruit", zegt mijn maat, "moeilijk te zeggen. Hij heeft zo'n kop, die je nooit meer te binnen wil schieten, wanneer je hem éénmaal hebt gezien!" "Heb je die van jezelf?", vraag ik lachend, maar argwanend, want mijn maat is geestig, maar nu ook weer niet altijd zó geestig. Hij glimlacht en bekent Oscar Wilde te hebben geciteerd ("one of those characteristic British faces - once seen and never remembered").

Een dame en een heer passeren over het smalle gangpad, struikelend en botsend, met zware koffers en tassen. Even later, wanneer de trein zich al in beweging heeft gezet, schuiven ze in tegenovergestelde richting voorbij en komen klem te zitten. Ik doe de deuren van onze coupé open en nood de dame binnen op de enige vrijgebleven plaats. Haar man vindt in de coupé ernaast een laatste plekje. "Het wordt mijn dood, dit gesjouw," jammert de dame, "wat erg dat we nu juist de wagen hebben weggedaan!". Een Amsterdamse tante is komen te overlijden en de familie heeft haar flatwoning ontruimd. Zonder auto kan het echtpaar geen omvangrijke spullen meenemen en dientengevolge zijn hun de kleine aandenkens toegekomen, die alle tezamen in tante's reiskoffers en weekendtassen toch onnoemelijk zwaar blijken te zijn.

Nu onderbreekt een van de reizigers ons levendige gesprek en wijst streng op het zwijg-symbool, als sticker op de deuren bevestigd, ten teken dat we hier te maken hebben met een "werkcoupé" waar stilte is geboden. "Stilte alstublieft!", vermaant hij ons. "Wilt U iets van mij lezen?", stel ik de dame fluisterend voor. Ik reik haar een tiksel aan. "Geschreven door een vriend van ons, A., een jeugdige uitgever, over het onrustige graf van Oscar Wilde. Misschien wel aardig in verband met Uw overleden tante!" De strenge medepassagier die mijn keuze van onderwerp niet overmatig kies en fijngevoelig vindt, schampert: "U lijkt Adriaan van Dis wel, alleen geeft U er niets te drinken bij".

De dame neemt het in stilte voor mij op en zet zich ijverig aan het manuscript. Zij leest, mogelijk voor het eerst, over de "turbulente funeraire geschiedenis van Oscar Wilde." Toen Wilde een hotelkamer betrok, die zijn sterfkamer is geworden, zou hij over het intens lelijke bloemetjesbehang hebben gezegd: "dit behang kost me mijn leven. Een van ons beiden moet vertrekken." [...] Vroeg op een avond begon het reutelen van de stervende, dat Robert Ross in een brief van twee weken later vergelijkt met "het afgrijselijke ronddraaien van een ijzeren slinger."

Met meesterlijk ingehouden en gestileerde zinnen weeft onze uitgeversvriend van de beschikbare feiten en geruchten een schitterend opstel, waarin voor het eerst op deze manier wordt gesproken over alle voorvallen, verheven zowel als platvloers, rond het verscheiden van de koning der decadentie. Je ziet de boosaardige raskomiek Louis de Funès voor je, als wordt verhaald van de gretige begrafenisondernemer, die in afwachting van de te plaatsen tombe, meteen na de plechtigheid alvast "een kleine inscriptie" wil aanbrengen, hetgeen nog juist door Robert Ross, genoeg geplaagd door blunders en gotspes van Franse dienders, kan worden verhinderd.

Onze trein mindert vaart en de dame wordt opgehaald door haar nerveuze man, die al staat te sjorren aan de bepakking, bang om hun station te missen. Ze geeft het tiksel terug, wat aan de strenge medepassagier de smalende opmerking ontlokt "Nou fijn, U bent er, dan hoeft U ook niet langer te lezen!"

Als wij zijn uitgestapt, verwijt mijn maat mij dat zoiets niet kàn, een ongepubliceerd manuscript in de trein rondgeven. Ik sla terug met het enige Wilde-citaat dat ik ken: "Maar het was een vrouw, aan wie ik het te lezen gaf. En vrouwen zijn immers het minst in staat dat wat belangrijk is te onthouden?"