Home

Werkdag

door Johan Polak & Frans Goddijn
De eerste uren van onze werkdag slijt ik doorgaans in sublieme eenzaamheid. Dat was al zo in de jaren dat wij twee- of driemaal per week een werkkamer huurden in het Arnhemse Rijnhotel of het Amsterdamse Barbizon: ik was er het eerst, zwaarbeladen met draagbare computers, een printer en bossen kabels. Onze vaste kamer bood uitzicht door wandbrede ramen over de Rijn of door kleine oude vensters op een rumoerig steegje. Onzichtbare handen hadden de sporen van andere gebruikers uitgewist. Het meubilair stond discreet klaar voor alles wat de nieuwe gast zou willen doen. Ik pakte uit, knoopte hardware aan elkaar, belde per modem naar een bulletinboard om electronische brieven op te halen en keek intussen naar beelden op de kabel-TV.

Vesna, een mooi, verstrooid kamermeisje, was dan al naar mij onderweg met verse koffie, hete melk en zakjes (ik deed natuurlijk aan de lijn) sacharine. Om elf uur snelde ik de kamer uit om Johan van de trein te halen. Bijna altijd was ik te laat voor de bus die voorbij daverde in de korte eindsprint naar het station. Dan holde ik bergop langs het Gemeentemuseum, het plein over, de hal door, het perron op. Toen, net als nu, was het een erezaak om elkaar op tijd te treffen. Johan zit in zijn coupé te typen op een kleine schootcomputer. Onverstoorbaar werkt hij door, tot ik hem uit de trein kom halen: als ik niet kom opdagen, rijdt hij zo weer terug naar huis. Tenminste, die dreiging gaat onuitgesproken van hem uit. Ik weet nooit zeker of hij de computer niet pas heeft opengeklapt en aangezet, vlak voordat de trein het station binnenrijdt.

We wandelen dan naar onze werkplek. Nu door de stad naar ons kantoor, toen dwars door parken heen naar het hotel. Intussen praten en lachen we honderduit. Afwisselend strijden we erom wie voor de ander de meest vleiende complimenten kan bedenken, of wie onze algehele sof en volledige mislukking in de meest schrijnende termen kan beschrijven. Een medewandelaar haalde ons eens in, draaide zich om en riep toen uit, verbitterd om zoveel onnodige vreugde: "het enige wat jullie doen is elkaar soigneren - met smoesjes!" Dat gaf te denken, maar het kon de pret niet drukken. Nog voor de boterham probeerden we alle papieren en kladteksten uit te wisselen. De gezamenlijke post werd met enig ritueel geopend en gesorteerd. De redactie van een magazine, waaraan wij één stukje op proef hadden gezonden, retourneerde ons enkele manuscripten met het bericht dat "helaas beide artikelen waren geweigerd".

Inmiddels hebben we een kantoortje. Ook hier wordt de huishouding onzichtbaar gevoerd. Eindelijk beschikken we over de ruimte en de tijd om alle stukken ordelijk te verwerken en zelf ons eten klaar te maken, maar de hoeveelheid tijdrovende kleinigheden had ik aanvankelijk toch onderschat. De dag begint langzaam, krijgt allengs meer vaart en halverwege de middag zijn we weleens verbouwereerd, zodra we zien hoe weinig we hebben kunnen "doen", naast al het "gedane" dat niet telt. Terwijl we onafgebroken in de weer zijn geweest, is er niets geschreven. Wel getypt, beantwoord, gefaxt, gebeld, genoteerd en uitgeprint, maar niets geschreven. Wanneer dan, na een half uur doodstil werken, op mijn scherm een alinea staat en op Johans portable een scherm is volgelopen met eerste regels, kan ons geluk niet op. Ik loop even weg, schenk thee in, en zie op een gekleurd, licht uitstralend beeldscherm en op een klein, licht-absorberend LCD-dekseltje de reden van ons samenzijn, de vergoeilijking van ons bestaan.