Home

Wereldbibliotheek

door Johan Polak & Frans Goddijn
Op het einde van de vorige eeuw, toen het socialisme, zondeloos ideaal nog, in ons land allengs vaste voet verkreeg, raakten de voormannen van de beweging doordrongen van het besef dat het er niet alleen om ging de materiële omstandigheden van de arbeider te verbeteren, maar ook om hem zedelijk te verheffen. Waarschuwingen tegen bordeelbezoek met de daaruit voortkomende venerische infecties, en vermaningen gericht tegen overmatig drankgebruik hoorden tot de goede toon van die tijd (een van de nazaten schilderde onlangs een slagzin uit die tijd op de muur van een station tussen Enkhuizen en Amsterdam: "arbeiders die drinken, denken niet!". Naast de rode jeugd, ik herinner het mij zo goed, bestond er ook een blauwe jeugd, getooid met een blauwe knoop in het knoopsgat. Iets later beleefde de rein-leven beweging haar opkomst. Voor deze geestelijke verheffing van de werkende klasse hebben Hanri Polak (geen familie, helaas), de grondlegger van het FNV en wat later wethouder Emanuel Boekman en zich volledig ingezet. Henri Polak, door zijn vroegtijdige contacten met de Engelse areidersbeweging sterk esthetisch georiënteerd - actief waren toen William Morris met zijn Kelmscott Press, Walter Crane, wiens studies door Henri Polak werden vertaald en G.B. Shaw, voortgekomen uit het aristocratische "fabian socialism", estheten, Shaw zelfs een anti-estheet, maar alle vervuld van de socialistische idee - was de drijvende kracht om het bondsgebouw voor de Nederlandse diamantbewerkers tot stand te laten komen. Versieringen werden aangebracht door grote kunstenaars, zoals Richard Roland Holst en Hilde Krop.

Door overschildering en wegtimmering verdwenen naderhand de prachtige wandversieringen en het mooie behang, vervaardigd naar voorbeelden van William Morris. Reserve tegen cultuur, een zekere angst voor schoonheid werden een deel van het socialisme. Men was bevreesd voor het mogelijk ontstaan van een elite. In de naoorlogse sfeer paste geen verering van Herman Gorter, van Henri Polak en van Henriëtte Roland Holst. Pas nu heeft Salvador Bloemgarten een opdracht gekregen het leven te beschrijven van de pionier van de vakvereniging, Henri Polak, groot liefhebber van de schoonheid van ons land (hij schreef er een parchtig boek over). Mede in zijn voetsporen heeft Boekman een kunstbeleid uitgestippeld dat na de oorlog tot regeringsbeleid zou worden. In diezelfde geest is de WB opgericht. Alles wat geschreven was en toen aan goeds werd geschreven, gold een Nederlandse vertaling waard en de leiding van deze uitgeverij zag kans voor vertalingen van toneel, verzen en proza de beste schrijvers aan te trekken: Willem Kloos, Albert Verwey, Louis Couperus, P.C. Boutens, Adama van Scheltema, zij allen hebben meegewerkt door eigen publicaties of door het vertalen van klassiek werk uit de ons omringende landen. Kom daar eens om vandaag de dag!. Het is toch een hoge uitzondering, mooie vertalingen aan te treffen van de hand van onze beroemdste hedendaagse schrijvers. Zeker, Gerard Reve heeft prachtige vertalingen gemaakt van Pinter, Albee en anderen, Gerrit Komrij heeft zich gewaagd aan Shakespeare, maar het innige verband tussen eigen dichterlijke scheppingskracht en het overbrengen van klassieken in onze taal is verloren gegaan. Vertalers, onder hen zeer verdienstelijke, vormen thans een eigen kaste.

Wat mijzelf aangaat, ik kan mij niet herinneren gedurende mijn hele jeugd andere boeken in handen te habben gehad dan boeken van de WB. Ik kan de bandjes nog precies beschrijven en met Freud, met Goethe, met Ibsen, met Flaubert, met Shaw, met Wilde en met zovele anderen zou ik niet vroegtijdig hebben kennisgemaakt, wat meer is, ik zou die boeken niet hebben veslonden, als zij niet alle zo gemakkelijk verkrijgbaar waren geweest en doorgaans reeds lang voorhanden in de boekerijen van mijn grootouders, ouders en familieleden. In mijn eerste studentenjaren zwierf in langs de boekenstalletjes, uitkijkend naar het opvallend uiterlijk van een WB-bandje in de hoop zo een voor mij onbekende tekst aan te treffen, die ik meteen kon lezen en mij eigen maken. Ik weet me met zekerheid te herinneren dat ik op die manier de romantische dichter John Keats heb ontdekt, in de metrische vertaling van W.W. van Lennep en door hem Jacques Perk.

Bij een uitgeverij van deze aard hoorde, alleen al uit het oogpunt van klantenbinding, een vereniging van leden. Deze ontvingen viermaal 's jaars een geschenk, een boek natuurlijk, een enkele keer een feuille volante, maar geen "zwaar" verzilverde lepel, geen drinkbekertjes of andere utensiliën (Overigens heeft de grootste boekhandel van ons land inmiddels begrepen dat, tussen alle boeken van dit lezersparadijs, een "gift shop" niet misstaat, een eilandje waar onverwacht en verfrissend oorbellen kunnen worden aangeschaft, of kleurige speldjes).

De vraag is gesteld of het mogelijk zou blijken niet alleen aan de inhoud van deze geschenkboekjes, maar ook aan het uiterlijk iets af te leiden aangaande de culturele ontwikkeling in ons land, alsmede in hoeverre die parallellen vertoont met de Europese culturele ontwikkeling. Ik herinner mij nog levendig de binnenkomst van zo'n geschenk. Nauwelijks het lezen machtig - ik was vier jaar oud - wist ik al dat je boeken met schone handen en eerbied diende aan te pakken. Niet dat mijn ouders mij dit hadden ingescherpt, veeleer was het de grote schok geweest van het leren lezen op vroege leeftijd. Mijn grote broer had mij - ik ben hem eeuwig dankbaar - met enig krachtsvertoon het alfabet bijgebracht en ik was nauwelijks uitgespeeld met een torentje kleurige blokken van hout, het vroegste speelgoed dat ik me te binnen kan brengen, of ik zat met een boek op mijn knieën woorden te spellen. De magie van het lezen betekende een bijna niet te bevatten wonderbaarlijkheid. Wie op zijn zevende of achtste leert lezen, heeft al zoveel andere wonderen meegemaakt, waardoor die zesentwintig letters niet meer een zo alles omverwerpende verrassing betekenen. Voor mij waren boeken het leven zelf geworden. Ik gruwde er voortaan van om door het kindermeisje naar buiten te worden gestuurd, "om leuk te ballen, of fijn te ringen". Toen op mijn vijfde verjaardag een vennoot van speelgoedhandel Van Emde langskwam om mijn kado te bezorgen en te demonstreren, een op schaal nagebouwde cabriolet, door geheimzinnige kracht voortbewogen, die naar eigen believen door de grote kamer raasde, kreeg ik van angst en teleurstelling een woedeaanval. Ik kwam pas weer tot bedaren, nadat de goede man zijn waar had gevangen, stilgezet, ingepakt en schielijk meegenomen.

Nu stam ik uit een familie van boekverzamelaars. Al vroeg placht ik te ruiken aan het papier, bewonderde op mijn wijze de belettering, de plaatjes en de versiering van het omslag. Hoe zal ik nu de confrontatie ondergaan wanneer ik alle geschenken die de WB ooit aan zijn leden uitreikte, opnieuw aan mijn oog voorbij zie trekken? Daarvan zal ik trachten U in het volgende een eerlijk verslag te doen. Ik heb me met bescheiden hulp ingekwartierd in een werkkamertje van het Amsterdamse Barbizon Palace hotel. Drie dagen kunnen we ongestoord doorwerken, alleen, of in het gezelschap van de Amsterdamse meiden en jongens die met plezier thee brengen, of steeds dezelfde maaltijden - wij zijn geen van beiden culinaire avonturiers. Uit een meegebrachte cassettespeeldoos klinken Kurt Weill, Thelonius Monk, Bill Withers. Drie dozen zijn bezorgd, klein, zwaar, zorgvuldig verzegeld met breed grijs plakband. "Nog krijgen we bloemen en kado's, maar op de gang staat reeds de donkere doos met paardevijgen", zong eens Wim Kan. Ik zeg het op, terwijl mijn maat zijn zakmes trekt, en vraag hem hoe hij zou reageren wanneer er geen boeken in de dozen zouden zitten...

Hier volgte en bont overzicht van een veelheid aan boeken. Natuurlijk was beperking geboden. Een korte bespreking van alle geschenken, die sinds 1925 aan de leden zijn toegestuurd, zou enkel een beredeneerde catalogus hebben opgeleverd. Het was daarom nodig van enkele hoogtepunten en sommige dieptepunten uit te gaan. Noch aan het een, noch aan het ander heeft het de WB - vereniging (hierna WBV genoemd) in haar lange bestaan ontbroken. Let wel: het gaat om de boeken die de WBV-leden elk kwartaal als geschenk kregen toegezonden, niet om de uitgaven die de WB telkenjare in de handel bracht. Deze laatsten vormen een goede dwarsdoorsnede, waarvan de kwaliteit volkomen buiten kijf staat.

1933
DE NIEUWE ESOPET, Karel van de Woestijne met tekeningen van Jozef Cantré

Misschien de beste van alle premieboeken, door het volledig in elkaar overgaan van de merkwaardige illustraties en de even vreemde tekst. Het is een van mijn lievelingsboeken, van jongs af aan. Ik bezit zelfs een gebonden exemplaar, en altijd wanneer mijn moeder moest niezen, citeerde ik "'Ik wil dat niemand nog lijden zal in mijn rijk', sprak de koning, en hij liet onthalzen al wie eene snotvalling had, en moest eene bloemenhulde in ontvangst nemen." Op een koningszetel zit een bleke bullebak in damesschoentjes, blozend, zo te zien zelf een beetje verlegen met de verse ruiker op zijn schoot.

1937
SAIDJAH EN ADINDA [Max Havelaar], Multatuli
Het poëtische fragment uit de Max Havelaar is verpakt in een papieren koekdoosje. Nochtans was een van de mooiste gedeelten van de Max Havelaar, een op zichzelf moeilijk en voor de oorlog weinig gelezen boek, daarmee onder ons volk gekomen.

1938
HET ZONNELIED van Achnaton, vert. door Dr. A de Buck. Deze Hymne, die wordt toegeschreven aan Ignaton, de farao die het Egyptische veelgodendom verwierp en er een zonnekultus voor in de plaats zette, is een van de belangrijkste documenten die uit de grijze oudheid tot ons zijn gekomen. Het egyptiserende omslag roept voor de lezers de sfeer op die men daarbij zoekt.

Het Egyptiseren kent een lange en rijke traditie, die heeft ingezet toen Napoleon op de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw zijn Egyptische avontuur beleefde. Meubels uit die tijd, zelfs zoutvaatjes, kregen de poten van de sfinx en een aantal van de beroemdste gedichten uit deze eeuw, geschreven door R.M. Rilke en J.H. Leopold, zijn gesitueerd in het oude Egypte.

1938
DE ERFGENAAM, een verhaal overgenomen uit de bundel SCHUIM EN ASCH, door J. Slauerhoff. Een prachtig boek, voorbeeldig uitgegeven, alleen al dankzij het afdrukken van de beste portrettekening die van Slauerhoff is vervaardigd, door Van Uytvanck. Helemaal volmaakt, eerbied afdwingend in zijn depictie van de sombere, gedoemde dichter Slauerhoff, in slobberig driedelig pak op een rechte leunstoel, ongemakkelijk gezeten, de handen krachteloos gebald, mitsgaders zijn ontgoochelde blik. Het verhaal speelt zich af in het nabije oosten en de illustraties zijn vrij naar Edmond Dulac, naar het lijkt, door Pol Dom gemaakt. Zijn eerste tekening meteen dubbel door hem gesigneerd.

1939
DE ONDERGANG DER MELIERS, Vertaald door Dr. D. Loenen
Een beroemd gedeelte uit het geschiedwerk van Thucydides is me, daar Loenen mijn leermeester is geweest, dermate vertrouwd, dat het nauwelijks mogelijk is over het uiterlijk een onbevangen oordeel te vellen. Geen verluchtingen ondermijnen de tekst, het schokkende, in dialoogvorm gestelde, relaas tussen de afgezanten van een grote en een kleine staat is in een prachtige letter gezet en de typografisch gehouden omslag is daarmee in overeenstamming. In dezelfde schitterende stijl uitgegeven en eveneens vertaald door Loenen zijn de WBV-geschenken REDE VAN PERICLES en DE VIERDE PYTHISCHE ODE VAN PINDAROS, respectievelijk verschenen in 1937 en 1940. "Typografie pure" van de beste soort, louter letters. Pericles' rede is het model geworden voor latere redevoeringen ter ere van de gevallenen. De lijkrede die Lincoln heeft gehouden in Gettysburg in de vorige eeuw gaat hierop terug en nog in de eerste en tweede wereldoorlog werden met deze tekst soldaten geronseld. DE VIERDE PYTHISCHE ODE was bedoeld om Koning Arkesilaos van Kyrene te eren, die een wagenwedren in Deplhi had gewonnen. Pericles bezingt niet de overwinnaar, maar diens voorzaten en vraagt tegelijk genade voor een banneling. Zulke raadgevingen doen echter zelden goed en bij de volgende overwinning was het niet Pindarus, maar zijn mededinger Bacchylides die een zegelied mocht schrijven...

1939
TAFEREEL VAN DE OVERWINTERING DER HOLLANDERS OP NOVA ZEMBLA, H. Tollens
In krasse tegenstelling tot het mooie boek van Dirk Loenen staat dit matig uitgevoerde, in hetzelfde jaar verschenen tafereel. De tekst, van lieverlede aan de vergetelheid prijsgegeven, verdiende een herdruk, maar het leesgenoegen wordt door de illustraties niet vergroot. Een ervan, met daarop een drietal mannen, omgeven door ijsschotsen bij hun kleine notedop (waarop nog plaats was voor twee masten) doet mij denken aan een antieke speeldoos van mijn oom: een glazen kast, zo groot als een televisietoestel met daarin van textiel en hout een oceaanlandschap. Wanneer het mechaniek in werking werd gesteld, golfde het blauwe fluweel en deinden de modelbootjes braaf mede, onder begeleiding van doosmuziek.

1939
DE LEGENDE VAN SINT JULIANUS DEN OFFERVAARDIGE, Gustave Flaubert.
Vertaald, verlucht en met de hand uitgeschreven door Jan Poortenaar. Het boek is niet zo erg mooi, maar bezit een onmiskenbare charme, waardoor het ook antikwarisch een van de gezochte premieboeken is gebleven. Het feit dat de antikwarisch geïnteresseerde enkeling er zo naarstig naar zoekt, bewijst dat het boekje indertijd terecht is gegevan aan alle WBV-leden.

1941
DE GENIUS VAN DE ZANG, Novalis.
Het boek, ontleent zijn belang uitsluitend aan de vertalingen die P.C. Boutens heeft bijgedragen. De tekeningen, in verre navolging van Jugendstil, lijken te zijn bedoeld voor een sprookjesboek.

1941
ROMEO OF DE MINNAAR DER LIEFDE, Karel van de Woestijne
Mooie tekst in behang-karton ingevangen.

1942
SCHEEPS-PRAET, Constantijn Huygens
Op een inlegpapiertje, niet groter dan een cigarettevloei, een woord van het bestuur: "... heb vertrouwen in de toekomst en onze belofte de schade in betere tijden te zullen inhalen. Onze grafische paaschgroet ... valt onder de verboden drukwerken..."

Toch heeft de WBV kans gezien met Pasen dit beroemde gedicht van Huygens uit te geven. Het papier is mooi en de druk niet ongeslaagd. Het gedicht, dat vermoedelijk is geschreven naar aanleiding van de dood van prins Maurits, in 1625 opgevolgd door prins Hendrik, zal de door de Duitsers overweldigde Nederlander tot steun zijn geweest in de donkere bezettingstijd.

1943
FRIEDRICH HöLDERLIN, een portret.
Heeft de WB, opgericht door de Joodse Leo Simons, in de oorlog toch lichtelijk geflirt met de nieuwe machthebbers? Wie in 1943 expectoreert over het nationale dichterschap van Friedrich Hölderlin en ondertekent met Roel Houwink, wekt verdenking. Het boek is onfraai van uiterlijk en de vertalingen lijken erop te wijzen dat goede vertalers niet voorhanden waren.

1945
HET EERSTE NODIGE, Dr. Nico van Suchtelen.
Een iets esoterisch omslag siert het dunne, toenmaals zeer populaire boekje van Van Suchtelen, een bevlogen idealist die al vroeg sterke voorkeur voelde voor het communisme en als zodanig een sympathiek en aristocratisch uithangbord werd voor de CPN. Het strenge van zijn idealistische wezen komt in de sobere vormgeving goed tot uiting.

1945
IL MAGO, Louis Couperus
In 1911 had de WB "Korte Arabesken", een van de meest beroemde verhalenbundels van Louis Couperus uitgegeven. Aan die nu heel zeldzame uitgave, is het verhaal IL MAGO ontleend, dat onooglijk, bijna op microficheformaat, aan de leden is toegezonden. Maar in 1945 was papier schaars.

1947
Sonnet van P.C. Hooft, rijmprent in 't Hooft-jaar 1947. Schijnbaar bij ongeluk terechtgekomen in HET GRANAATAPPELHUIS van Oscar Wilde, prachtig geïllustreerd door D. van Luyn, een andere uitschieter van hetzefde jaar. Het vormt een droom en een troost voor de verzamelaar. Op één kwetsbaar blad Ossekop van Gelder, papier dat nu onvindbaar is, staat het prachtige sonnet WANNEER DE VORST DES LICHTS, op de meest fraaie wijze verlucht door een gekleurd vignet van Pam Rueter. Haarscherp gezet, fijn geciseleerde letter. De bibliofiele begeerte wordt gewekt om je zo'n blad toe te eigenen, tegen elke verboden prijs en het nooit meer te laten terugkeren in het boek van Oscar Wilde, dat voor behoort tot de mooiste WBV geschenken in de lange reeks van jaren verstuurd.

1950
BILLY BUDD, Herman Melville
De tragische geschiedenis van een matroos, algemeen geliefd maar aan boord opgehangen omdat hij een vergrijp had gepleegd dat niet ongestraft kon blijven. Budd leeft voort in gedichten, in een film waarin Terence Stamp de hoofdrol speelde en waarin de strenge maar innig goede kapitein Vere door een beroemde speler van Russische afkomst (wiens naam me helaas is ontschoten) werd neergezet. Het verhaal verdiende een Nederlandse uitgave. De typografie is weinig bekorend, het blauwe golflijntje dat telkens opduikt moet de zee voorstellen, maar het verhaal is zo mooi en aangrijpend dat elke boekuitgave ervan opnieuw welkom is.

BULLETJE, Guy de Maupassant
Een ongedateerd uitgaafje dat moeiteloos de prijs voor het lelijkste boek in de wacht kan slepen, heeft niettemin een zo charmante inhoud dat je het onmiddellijk wilt bezitten.

1951
SEJOUR, Jan Blokker
Een belangrijk debuut, dat de Reina Prinsen Geerligsprijs in de wacht sleepte. Niemand had toen het vermoeden dat Blokker gedurende jaren het gezicht van de VPRO zou bepalen en later nog eens voor heel lange tijd het gezicht van de VolksKrant. Dit debuut verrast door een mooie vormgegeving.

1952
O KERSNACHT SCHOONER DAN DE DAEGEN, Joost van den Vondel
Een dichterschap zoals er bijna nooit is geweest, misschien het mooiste vers dat er in het Nederlands is geschreven, in een wat ongelukkige uitvoering.

1952
DE BRIEF VAN DON JUAN, Luisa Treves.
De mooie omslag toont de rafelige resten van een, wellicht in wellust, afgescheurde kanten dameskous, in een dessin dat juist weer hoogmodern is geworden.

1953
HET LEVEN EN DE WANDELINGEN VAN MEESTER MAARTEN VROEG, Jacob Vosmaer
Goed uitgegeven, maar Vosmaer werd te moeilijk geacht en doet zijn verhaal nu inn vereenvoudigde taal. De leden van de WBV en hun kleutermeisje - een moeilijk te aanvaarden betuttelarij. Het boek ziet er echter uitstekend uit, en is gezet in de beste vooroorlogse typografische traditie.

1953-54
KORTSCHRIFT, Victor E. van Vriesland
Een klein, oblong boek, Van Vriesland, als essayist de mindere van Ter Braak, als dichter de mindere van Bloem en Du Perron, als proza-auteur de mindere van Van Oudshoorn en Van Schendel en als mens niet de aardigste. En toch een onverslaanbare persoonlijkheid die velen van de vergeten groten uit onze literatuur weer in beeld heeft gebracht en dan, als er een uitgave van verscheen, slecht heeft ingeleid. Dit boekje met aforismen is een mooi, fijn uitgaafje geworden dat opvalt door de kersenrode ornamentjes waarmee de ene kleine gedachte van de andere is gescheiden.

1954
DE MENUET EN DE DOMINEESPRUIK, Elisabeth Wolff-Bekker
Een ongeïllustreerd boek van Betje Wolff. Omslag naar de beste eisen van de typografie. Het gedicht, een klucht van de hand van deze geëmancipeerde, geestige vrouw, die het in haar eigen benepen milieu niet langer kon harden. De premie heeft alles gewonnen doordat plaatjes achterwege zijn gebleven. Het woord kan zonder wandelstok vooruit.

1954
OVER BOEKEN, Arthur van Schendel
Een gezocht geschenk, dat enige teksten van Van Schendel over het boek bij elkaar heeft verzameld. Omslag en sobere belettering zijn de grote auteur, die in die jaren al iets vergeten dreigde te raken, waardig.

1955
NATUURLIJKE HISTORIETJES, Jules Renard
Een verademing! De illustraties van de bekende vlaamse expressionist Jozef Cantré dragen aan het ritme van de tekst bij. De vertaling uit het Frans door Carel Scharten, samen met zijn vrouw Margot Scharten-Antink (steunpilaren van de WB, bijna al hun wewrk is daar verschenen) is levendig.

1955
NIEUWJAARSMORGEN, Albert Verwey
Hoezeer een gedicht wint bij zuivere typografie, blijkt ook hier. Wel een gewaagde uitgave, want Albert Verwey wordt ten onrechte niet meer gelezen. Maar hij komt terug.

1956
HET NACHTFEEST VAN VENUS, vert. door Dr. Nico van Suchtelen
Het beroemde PERVIGILIUM VENERIS is een stuk Nederlandse literatuur geworden, én door het metrum, dat al in vorige eeuwen door Nederlandse dichters, onder wie Potgieter [afrit ter valkenjacht] werd toegepast, én door de schitterende herdichting van Jan Prins. De versie van Van Suchtelen moet daarvoor onderdoen, maar is niet slecht en de verluchtingen door de houtsnijkunstenaar Pam Rueter die een tamelijk mooi omslag leverde, zijn de moeite waard.

1957
DE RAMPZALIGE KAPROEN, een middeleeuwse boerenroman, nageschreven door Stijn Streuvels.
Een vreselijke illustratie van een man, gehangen als offer aan de windgod Odin, aan een kale boom, zoals de Germanen dat het liefste zagen. De gehangene als "strange fruit, hanging from the poplar tree" in Billie Holiday's klaagzang over een gehangen zwarte, geslachtofferd door een blanke meute. De illustratie, met een zweem Van Gogh en een zweem Edvard Munch is zo belachelijk dat je je afvraagt waar de grote tekenaars van die tijd zijn gebleven. Waren Picasso, Giacometti, of, om dichter bij huis te blijven, Carel Willink, geen tijdgenoten? De tekst is vol sjablonen, wat associaties oproept met hedendaags cliché-gebruik. In "Commando", een recente geweldsfilm van de Oostenrijks-Hollywoodse krachtpatser Arnold Schwartzenegger komt een scène voor waarin onze held door een verraden kameraad te grazen wordt genomen: "You know what day it is? It's pay day!" En de laffe schurk schiet onze Arnold een giftige pijl in de borst. In "De rampzalige kamproen" staat "Recht zal hem nu geschieden! Vergelde het God, nu is 't betaaldag!"

1959
VERHALEN, Karel van de Woestijne
Een dun, strak boekje, harde kaft van linnen, met het juiste soortelijk gewicht dat verleidt om het lang vast te houden, met de tastzin en met het oog te proeven van het formaat, de juiste marges... tussen alle rommel uit de zeventiger jaren ligt het met gepaste trots een boekje te zijn, niets minder. De illustraties, op zichzelf verdienstelijk, passen niet bij de verhalen. Ze zijn iets te modern aan te sluiten bij de sfeer weer te geven die de schrijver met zijn woorden oproept. De teksten zijn echter zo sterk en de typografie zo goed, dat de illustraties slechts een geringe verstoring teweeg brengen bij de lezer. het had een volmaakt premieboekje kunnen zijn. "Capax imperii, nisi imperasset" - "Gechikt voor het keizerschap, als hij het maar niet had uitgeoefend" [Tacitus].

1960
RUBAIYAT, Omar Khayyam, vert Joh. Weiland.
We beschikten al over vertalingen van J.H. Leopold en P.C. Boutens Wie op de onzalige gedachte is gekomen deze twee grootheden posthuum te beledigen door een tekenaar het nogeens over te laten doen, verdient het ongenoemd te blijven.

1962
AGESILAOS, Victor E. van Vriesland
De houtgavures van dit aan Plutarchus - de auteur schrijft, geaffecteerd, Plutarchos, wat onjuist is - ontleende verhaal wekken niet de klassieke sfeer die de auteur heeft gepoogd in zijn vertelling op te roepen.

1965
WIJDE BLIK, verhalen en proza van zestig jaar WereldBibliotheek, samengesteld door Jaap Buys.
De verhalen zijn goed gekozen en de vignet-achtige hoofdstukversieringen van H.D. Voss vertegenwoordigen een stijl die voorbij is. De typografie is daarmee in overeenstemming gebracht.

1966
Rabindanath Tagore, DE VIER HOOFDSTUKKEN, 1966.
De nadagen van de geschenkenreeks lijken ingetreden. Wat is die Tagore populair geweest, een soort Indische Van Eeden en de plaatjes lijken op tekeningen die in die tijd opgeld deden, gemaakt door een half-esoterische kloon van John Buckland Wright. Wright werd in het interbellum als een zeer grote illustrator beschouwd, hij verluchtte bijna alle bijzondere uitgaven van A.A.M. Stols. Lange jaren verguisd, is hij nu opnieuw in de aandacht. In 1966 zijn zulke plaatjes, in zijn stijl, maar nu gemaakt door Ronald Fryling, niet langer mogelijk. Een mannetje met spillebeentjes, familie zo te zien van Suske en Wiske, staat met een tulbandje op, een slap boekje in zijn linker, een zweepje in de rechter hand, met lange wimpers te knipperen in het niet zo felle licht... Het is alsof de klok veertig jaar is teruggedraaid! Freud heeft dit zien aankomen en er zijn kroonprins Jung tegen gewaarschuwd - de vloedgolf van oosterse mysteriën. Het is zo gegaan als Freud heeft voorzien. Madame Blavatski, Krishnamurti, Tagore, heiligen vergeleken bij de goeroes die zouden volgen na de tweede wereldoorlog, zoals Bhagwan. Krishnamurti zag ik in de lente van 1956 in Laren wandelen. Ik herkende hem, een oud man nu, en voelde mij sterk tot hem aangetrokken. Ik groette eerbiedig en we raakten in gesprek. Het was voor mijn gevoel een heel belangrijk gesprek, maar ik kan me er geen woord van herinneren.

1968
HET ECHTE BLAUW, Anna Seghers
Omslag van Kurt Löb - je herkent onmiddellijk de meesterhand, die vele malen slecht werd nagevolgd. De uitbeelding van een Mexicaan is een samenraapsel van alle clichévoorstellingen die een gemiddelde Nederlander over een Mexicaan had, maar overigens volledig goed.

1969
CURSIEF
Een bundel columns uit de tijd toen deze stukjes overal ingang vonden. Hoe had zo'n boek het kunnen doen zonder Jan Blokker, Louis Paul Boon, Simon Carmiggelt of Harriet Freezer? De omslag is karakteristiek voor de niet zo beste smaak van de late jaren zestig.

1970 (?)
LOVE STORY, Erich Segal
Een bestseller, zo enorm dat de auteur erdoor is verpletterd en, naar verluidt, zelfs voor een poos zijn professoraat in de Latijnse letteren aan een deftige Amerikaanse universiteit erdoor verloor. Later is hij weer in genade aangenomen en een heel aardig boek over de Latijnse komediedichter Plautus is van zijn hand. In de herinnering van het lezerspubliek is alleen de titel, en het gezicht van Ryan O'Neal, de mannelijke hoofdrolspeler, bekend van Peyton Place, blijven hangen. De naam van de auteur is vergeten, net zoals de naam van de schrijfster die Peyton Place het eerst in een boekje had geschapen.

1972
HET TERE EVENWICHT, Margary Sharp
Flower power. Op de omslag een krullerige tekening van wat een popsterretje zou kunnen zijn, een Mary Hopkins of ander blootsvoets zingend tienermeisje. In plaats van tranen onder haar ogen, twee madeliefjes. Een sentimentele roman over een dyslectisch kind.

1972
MEESTER EN MINNAAR, Theun de Vries
De auteur, kenner van Rembrandt, heeft vijf verbeeldingen rondom de schilder bijeengebracht. De illustraties zijn overgenomen uit het grafische werk van Rembrandt, maar zo op een zo goedkope dat zij aan het op zichzelf aardige boek niet veel bijdragen.

1975
VLUCHTIG OMZIEN, een halve eeuw nederlandstalige letterkunde, samengesteld door C.J.E. Dinaux
Een van de ellendigste specimina van moderne druk-"kunst", vormt het op zichzelf niet onaardige premieboek ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de WBV. Alle opgenomen teksten worden door deze uitgave onleesbaar. Tegenwoordig proberen velen de Desk Top Publishing-mogelijkheden uit, die een goedkope computer en printer tezamen kunnen bieden. Soms met aardig resultaat, doorgaans bevestigend dat vormgeving een vak is, maar in de meeste gevallen is het hedendaags knutselresultaat beter dan dit professionele produkt van 1975.

1976
VRIENDSCHAP MET ADAM, Wolfriedrich Schnurre
Het aardappelstempel-print van het omslag getuigt van de schroom voor het schone. Toch paste dit in de tijdgeest, waarin men en masse de nijverheid van het macramé bedreef en onder leiding van de destijds grote musicoloog Ad Heerkens zelf muziekinstrumentjes vervaardigde, liefst van waardeloos materiaal. Mijn jonge maat volgde in die tijd een opleiding voor welzijnswerker, en ontving muzikaal onderricht van een Heerkens-apostel, door de meester zelf als opvolger aangewezen. De aspirant-jeugdleiders sloegen flesdoppen plat, regen deze aanen op spijkers, sloegen deze nagels in een vurenhouten stokje en rammelden ermee op de sterk vereenvoudigde wijs van tophits uit die tijd. "Pleased to meet you, I hope you guess my name!" zong de hele groep Mick Jagger na. Met deze middelen was het gelukkig onmogelijk enige esthetische wet te volgen, hoewel E. Puettmann zijn sporen op het gebied van boekillustratie en typografie later wel degelijk heeft verdiend!

1986
HET WOORD GEDRUKT, Wim J. Simons, de oprichter van liefhebberij-uitgeverij De Beuk, die nog altijd bestaat en goed werk doet. Het boek is gelukkig met foto's geïllustreerd. Opgenomen zijnillustraties van vroegere uitgaven van de WB, die de verzuchting doen slaken "was het nog maar zo als in de jaren twintig". Twee omslagen van Freuds "Het Ik en de psychologie der massa" zijn afgedrukt, de ene uit 1924, de ander van meer dan vijftig jaar later. Er valt veel uit af te leiden. Dit is de laatste premie, gewijd aan het boek, goed bedoeld, maar niet goed (ik ontleen hier aan Carmiggelt, die in een van zijn droefgeestige beschouwingen spreekt over de toneelrecensent die thuiskomt, zich in een stoel laat zakken en de karaf nemend, antwoordt, op de vraag van zijn gade of het een goede voorstelling was geweest: "Het was NIET goed, Mien, het was NIET goed!")

Is het mogelijk aan de uiterlijke verzorging van deze lange reeks boeken iets af te leiden over de smaak van het publiek in Nederland? Misschien. In elk geval valt de conclusie te trekken ten aanzien van de smaak die de redacteuren van de WBV hebben gehad toen zij moesten beslissen welke premies zij hun leden zouden voorleggen. Niet in zijn onmiddellijkheid de smaak VAN het publiek is vastgelegd, daarnaar blijft het gissen, maar de smaak ontwikkeld VOOR het publiek is ermee geopenbaard. Het blijkt dat deze op geen enkele wijze gelijke tred heeft gehouden met de revolutionaire ontwikkelingen in de boekverzorging van de laatste decennia. Als ik me de vergelijking mag veroorloven, ligt hier een parallel met een andere kunstvorm voor de massa's, het Eurovisie Songfestival, waarover is opgemerkt dat deze in zijn bestaan zich niets gelegen heeft laten liggen aan de omwentelingen die plaatsgrepen in het muzikale leven buiten dit traditionale festival van het betrekkelijk triviale. Maar zoals menigeen de avond van het Europese liedje ervaart als een traditie - bij het horen van het winnende lied van een gegeven jaar weet men met wie men toen samen was, of men gelukkig was of niet - vormden de geschenken een altijd welkome geste, ook voor lezers die eigenlijk waren opgehouden met het kopen van boeken. Met veel moed en telkens verrassende medewerking van vakmensen uit hun tijd, heeft de WBV een sterk wisselend succes ingelegd, waaruit echter geen consistente visie valt op te maken. Om de belangrijkste stromingen sinds 1925 te noemen: expressionisme - met één balangrijke uitzondering, Jozef Cantré als illustrator van Vlaamse literatuur - , art deco, nieuwe zakelijkheid, surrealisme en non-figuratieve grafiek, lijken aan de WBV voorbij te zijn gegaan. De sterk wisselende voorkeuren van de jaren zestig en zeventig - vergelijk de omslagen van de paperbacks uitgegeven in deze decennia door De Bezige Bij - hebben op de premieboeken geen stempel gedrukt. Er is kennelijk een beleid gevoerd at weinig open stond voor nieuwe richtingen en voor zover het zich over wilde geven aan het modieuze, was het daarmee laat. Dat niettemin enkele premieboeken schitterend zijn en tot gezochte verzamelobjecten zijn geworden die het hart hebben gestolen van menige lezer, is meer een toevalstreffer dan het resultaat van een beleid dat uitging van een constistente smaak. De premieboeken getuigen meer van een restauratieve tendens dan van creatie in de zin van het socialistische ideaal waaruit de WB is voortgekomen. Toch is het fonds van de WB zo sterk gebleken, dat een krachtige herleving nu, dankzij het elan van Joos Kat en zijn mederwerkers daaruit valt te verklaren.