Home

Veem

door Johan Polak & Frans Goddijn
De stoptrein bij een haven hoog in West-Friesland is aan zijn beginpunt vrijwel leeg, op een patat-etend stelletje na. De walm waait vlot naar buiten door de ramen, die alle open staan en er komt mestgeur voor terug. Gaandeweg raken meer plaatsen bezet. Vanaf Amsterdam zit een jong, donker meisje tegenover mij, met stoïcijnse blik en onbewogen lippen, maar telkens onrustig zoekend in haar bagage. Mijn vriendin en ik werken kranten door, de kinderen verdelen een doosje zoute pinda's van de Wagons-Lits, een zak meegebrachte gewassen peentjes en ook zij hebben hun lectuur. In Utrecht groet het donkere meisje ons schuchter en stapt uit. Op het drukke perron kan ik haar niet meer zien.

Tussen het zomerse publiek met rugzakken staat bij de telefooncel een blonde vrouw met een grote rode kater als een stola om haar nek gelegd. Ze houdt een ijsje omhoog, waar haar knuffeldier af en toe een lik van neemt, om de bek vervolgens schoon te poetsen eer hij nogmaals aan de ijsco likt. Haar vriend draagt vijf volle witte boodschappentassen van DONNER. Terwijl ik mijn jongste dochter vertel over de Rotterdamse reuzeboekwinkel, met veel boeken, maar ook lekkere koeken en zelfs (op de muziekafdeling) oorbellen, schiet me ineens te binnen dat ik er voor mijn vriendin ooit een prachtig stel kocht - in de vorm van een viool. Waarom draagt ze die nooit? Waren ze soms niet mooi genoeg? Ik besluit het haar meteen te vragen, maar mijn vriendin blijkt van niets te weten. Ze heeft ze nimmer gekregen. Dan bloos ik. Heb ik ze soms aan een ander...? Langzaam daagt het mij: ik vond de sieraden toen zo schitterend, dat ik ze ergens heb verstopt, in afwachting van de speciale gelegenheid waarbij zo een geschenk van pas zou komen. Maar waar zijn ze nu? Ik heb geen flauw idee.

Het zit zeker in de familie. Ik had een oud-tante, die ik vaak zag en van wie ik veel hield. Ze stond als gierig te boek en gold - ten onrechte - als rijk. Zij was wel in het bezit van twee blauwe diamanten, destijds een kostbaarheid. Onmiddellijk na de Duitse inval van mei 1940 telegrafeerde zij haar dochter, die verblijf hield in het toenmalige Nederlands-Indië: "Goederen in vemen opgeslagen", hetgeen volgens mij geheimtaal moet zijn geweest voor "de beide diamanten veilig in een bankkluis". Toen de oorlog voorbij was, had mijn oud-tante de dood gevonden in een Pools vernietigingskamp, haar dochter in een Jappenkamp en de edelstenen zijn nooit teruggevonden.

(.....) Droeve symbolen
Van wie thans wreed gescheiden moeten dolen,
Een jaar misschien. Misschien een eeuwigheid.

[J.Presser, Orpheus en Ahasverus]