Home

Tijd

door Johan Polak & Frans Goddijn
Bij de bushalte komen elke middag omstreeks half zes een aantal bejaarde zwakbegaafden langs, die hun dagverblijf hebben bezocht en weer onderweg zijn naar huis. Twee of drie van hen wachten op de bus, de anderen lopen verder. Een van die anderen, een klein vrouwtje, voert telkens hetzelfde ritueel uit: zij passeert haar vrienden, neemt dan ongemakkelijk plaats tegen het stenen paaltje op de vluchtheuvel en zoekt in haar handtas, die ze in haar armen klemt, iets om te lezen. De tas is propvol reclamedrukwerk uit dozen oud papier die zij zelf inzamelen. Een poosje zit ze daar, verdiept in een kleurenfolder, voordat ze die zuchtend weer verfrommelt. Dan kijkt ze op en roept "tommôge!" en vervolgt haar weg de avond in. Vrijdags roept ze "tommaandagh!", en haar vrienden roepen terug. Terwijl van mij niet de minste notitie wordt genomen, geniet ik van dit ritueel, alsof ik er op enige manier deel van uitmaak.

Ik stap de bus in, maar vind mijn strippenkaart niet op de gebruikelijke plaats. De bus vertrekt alvast, terwijl ik zoek in alle zakjes en vakjes van mijn portefeuille, vest en jas. Vergeefs. De chauffeur heeft niet terug van honderd gulden - zojuist uit de geldautomaat gehaald - en ik dreig zwartrijder te worden. Aan kleingeld bezit ik net één gulden vijfenzestig, te weinig voor een strippenkaart. Ik vraag een jonge vrouw, die naast mij zit, of ik op haar kaart mag meereizen, in ruil voor mijn kleingeld.

Nadat mijn stempel op haar kaart is gezet, wordt ze angstig. "Moet U nou de hele weg met mij mee?" "Nee," stel ik haar gerust, "ik ga er zo weer uit". "Maar hoe moet ik dan overstappen op een andere lijn, in mijn eentje, met stempels voor twee?" Ik fantaseer dat ze tegen de chauffeur van de andere bus moet vertellen dat ze met haar vriend op weg was, maar halverwege, midden op de Nelson Mandela-brug, al ruziënd had ontdekt dat ze te weinig met elkaar gemeen hebben om samen verder door het leven te gaan... "Dat is wel een idee", zegt de vrouw, maar ze kijkt bezorgd op haar horloge, als wil zij de duur van onze ontmoeting bekorten. Het valt me nu op dat we eenzelfde model klokje hebben, zij in een damesmaat, maar net als de mijne IRON MAN genaamd. "Het zwartplastic horloge voor de man en zijn vrouw van staal", zo roep ik verrast uit. "Her hands were his, in tender diminutive", schreef Nabokov in "ADA". Maar waar? Ik vraag haar of zij wel alle mogelijkheden begrijpt van de vijf knopjes, die in vele combinaties kunnen worden bediend om allerlei verschillende tijdmetingen te verrichten - gewone tijd, wekker, aftellen, stopwatch met en zonder 'lap-'tijd. "Nee," antwoordt de vrouw, "ik weet dat niet zo goed en hij loopt nog achter ook, maar ik kan ermee naar V&D. Als ik daar een nieuwe batterij koop, zetten ze hem gratis gelijk. Alleen is de batterij nog niet op!" Ik houd haar pols vast en kan het kleine klokje nog juist op tijd gelijk laten lopen met de mijne, voor ik uit de bus en uit haar leven stap.

"Mijn weten dat anderen sterven doet hier niet ter zake. Ik weet tevens dat jij en mogelijkerwijze ook ik zijn geboren, maar dat bewijst niet dat we beiden door de opeenvolging van tijdsmomenten zijn gegaan die verleden wordt genoemd: mijn heden, mijn kortstondige bewustzijnsboog, vertelt mij dat ik het heb doorgemaakt (...). Mijn eerste herinnering gaat terug op het midden van juli, 1870, t.w. mijn zevende levensmaand (bij de meeste mensen begint het bewust onthouden natuurlijk iets later, op drie- of vierjarige leeftijd) toen, op een ochtend, in onze villa aan de Rivièra, een brok groen pleisterwerk, van zijn plaats geraakt door een aardbeving, mijn wieg binnenstortte".

[Vladimir Nabokov, "ADA"]