Home

Martin Schouten: Hotel Terminus
heen met de trein, terug met een foto

door Johan Polak & Frans Goddijn
"De Zwolseweg liep met een paar trage slingers van Apeldoorn naar het noorden. Hij begon aan de rand van het centrum als een tussen strakke trottoirs ingeklonken betonstrook, veranderde bij het verlaten van de bebouwde kom in een licht bollende klinkerstraat met aan weerszijden weiland, doorsneed het buurtschap Het Loo en scheen daar dood te lopen op een spoorlijn, maar draaide op het laatste moment met het spoor mee om dat alsnog te kruisen."

De eerste zinnen van het romandebuut van Martin Schouten, die als journalist bij De Volkskrant bekendheid heeft verkregen. Hij publiceerde onder meer pakkende beschouwingen over momenten uit de vooroorlogse geschiedenis, en toont thans zijn talent ook in voortreffelijke toneelkritieken.

Hoofdpersoon Jacob Achterkamp is journalist, pas gescheiden, en wegens reorganisatie ontslagen. Hij zoekt in arren moede zijn geboorteplaats op, waar hij sinds zijn jongensjaren niet meer geweest is. Vanuit Hotel Terminus dwaalt hij door zijn geboortedorp, op zoek naar bekenden die hij tegelijk ontloopt.

Schouten's kracht is de schets. Het boek heeft de structuur van een magazijn dia's: mooie beelden, korte flashbacks en zijwaarts gerichte blikken.

Vele malen is een beschrijving van Schouten zo helder en transparant dat deze zich vergroot tot een voor de lezer omvanrijk en kleurrijk beeld:

"Ik at dat zand, ook toen ik daar al wat te oud voor werd. Het kraakte tusen mijn kiezen en werd modder in mijn mond voor ik het moeizaam doorslikte, terwijl een meisje tegen de muur leunde en toekeek. "meer," zei ze. "Maar je had het beloofd," zei ik. "Meer." "Laat je het dan zien?" "ja." "Echt?" Ze hurkte, zodat ik tussen haar dijen het wit van haar broekje kon zien. "Doe dan." Weer stopte ik een hand geelgrijs zand in mijn mond, kauwde tot mijn hele hoofd kraakte, zoog speeksel uit mijn wangen en duwde het zand met mijn tong naar achteren terwijl het drab door mijn stijf gesloten lippen en neus naar buiten droop, tot het keelgat me eindelijk genadig was en de modder verzwolg en ik mijn mond kon opendoen om gierend adem te halen. "Viezerik," zei het meisje en liep het hek uit."

"Heen met de trein, terug met een foto - zo was ik een paar keer in Amsterdam geweest: Artis, Begijnhof, rondvaart, Dam." Het lukt de hoofdpersoon vrijwel nooit om contact te maken, het lijkt of hij zich voortdurend beweegt in de mist, "een dunne wolk stof die het paleis omhult en zich als mist lijkt voort te zetten over heel dit gebied." Dit vervreemdingseffect weet de schrijver in een paar saillante passages te herhalen. Eenmaal belt hij zijn moeder, maar als deze opneemt meldt hij zich niet, en legt zij kwaad de hoorn neer. Andermaal ook belt hij zijn vrouw, neemt zijn zoontje de hoorn op, maar ook dan blijkt hij onmachtig het woord te voeren, en de hoorn gaat weer op de haak. Enkele bladzijden later blijkt pas hoe ook zijn huwelijk de mist is ingegaan ten gevolge van zijn onvermogen tot een andere relatie te geraken dan de puur sexuele.

Als nachtredacteur, deel uitmakend van de staf van een tot verdwijnen gedoemd dagblad, beseft de schrijver dat hij samen met zijn mederedacteur de laatste getuige is geweest van een wereld in verval, een wereld die voor Joods Amsterdam al veel eerder was ingestort. "Ik liep door de oude Jodenbuurt en zag instortende muren, puin, kaalslag. (...)Ik verzon de ruzies en de begroetingen, de schreeuw van een straatventer, de hoge lach van een stel meiden in de schemer; de stad zoals ik me die had voorgesteld voor ik er kwam wonen, een

warme wereld waarnaar ik altijd verlangd had." Die wereld was verdwenen, zodat de Weesperstraat kon veranderen in de vierbaansweg voor een gemotoriseerd snelverkeer, de smalle Weesperstraat, eens het centrum van de kleine nering der Joodse amsterdammers.

Soms is een beeld zo vol van individuele betekenis, dat het weinig lezers zal aanspreken. Zoals "Les Paul & Mary Ford. Vaya con Dios, Whistlin' the blues." Deze opsommig van titels van tophits roepen voor degenen die in hun jeugd dezelfde muziek hoorden wellicht associaties op, maar mogelijk heel andere dan in het boek bedoeld zijn.

In Engeland bestaat voor deze compositiefout de term 'topical', wat wil zeggen dat de details die in het verhaal voorkomen, meer gespecificeerde associaties nodig maken, dan de gemiddelde lezer zo vlug op kan brengen. Met grote ingehoudenheid heeft bijvoorbeeld de schrijver Marcel Proust kans gezien voor de laatste maal de Parijse aristocratie op te roepen, voor zij voorgoed ten onder ging, dankzij het kleine zandtaartje, Madeleine geheten, dat hij in de lindethee doopte, op visite bij familie. De kracht van deze evocatie, alleen te vergelijken met wat Louis Couperus oproept in DE BOEKEN DER KLEINE ZIELEN, is zo groot, dat anderen die dezelfde techniek te baat nemen, er altijd enige kleur bij zullen inschieten, maar dat neemt niet weg dat ook Martin Schouten erin is geslaagd de sfeer op te roepen van Nederland, in het bijzonder van Amsterdam, uit de zestiger jaren, dat al aan het einde van de jaren zeventig nostalgische herinneringen zou wekken bij hen, die zelf midden in die jaren hebben gestaan.

Op de laatste pagina komt een kleine jongen bij hem zitten in de trein, en dan heeft Jacob Achterkamp eindelijk de sensatie van een hersteld contact met zijn verleden: Hij kan het dialect verstaan, en beseft dat de jongen hem kan redden, als deze hem, in de taal van zijn jeugd, de sleutel tot zijn eigen innerlijk weet aan te reiken. Helaas, de jongen stapt uit, de trein vertrekt, en het boek is af. Een boek dat, ondanks enkele feilen, een diepe indruk op ons achterlaat. Boeken over de zestiger jaren zijn tot heden schaars.