Home

Tacitus

door Johan Polak & Frans Goddijn
Nederland kent een opvallende Tacitus-traditie. P.C. Hooft vormde zijn proza-stijl naar de geschriften van de romeinse historicus, die hij volgens zijn zeggen twee en vijftig maal had gelezen, voor hij zich aan een vertaling wilde wagen. Aanvankelijk vertaalde hij gedeelten om zijn zwager, Justus Baake, te gerieven, maar op aandrang van dezelfde, die het latijn minder goed machtig was, kwam er een volledige vertaling. Het tekstbegrip dat Hooft aan de dag heeft gelegd, verbaast de hedendaagse klassicus. Vrijwel zonder commentaren om vanuit te gaan, vertaalde Hooft, doorlopend gevecht leverend met tekstgedeelten die in de middeleeuwse overlevering in de war waren geraakt of totaal bedorven.

Tacitus was de laatste grote latijnse stilist, zoals zijn tijdgenoot Juvenalis, de laatste dichter is gebleken, al zouden we graag een lans willen breken voor twee uitzonderlijke talenten uit de vierde eeuw: Claudius Claudianus en Ammianus Marcellinus. Over deze beide laat-antieke schrijvers is het laatste woord nog niet gesproken. Tacitus, twee eeuwen eerder levende, maakte van de latijnse taal een weergaloos instrument om de verborgen drijfveren, de geheimste zieleroerselen en de hypocrisie van de hooggeplaatsten in het romeinse rijk aan de kaak te stellen. De vlijmendste ironie en het meest bittere sarcasme zijn kenmerkend voor deze latijnse historicus: 'het proza van Tacitus is de ongebluste kalk over de lijken der tirannen' (Chateaubriand). Op het geschiedwerk van Tacitus is aangemerkt dat het partijdig zou zijn. Tacitus zou zich, onder de indruk van de tirannie van keizer Domitianus (81-96), zijn tijdgenoot, hebben laten gaan in zijn beoordeling van Tiberius (14-37) en diens opvolgers. Het is raadzaam, zeker voor de docent die Tacitus introduceert, om de ongebluste kalk met water uit andere bronnen aan te lengen. Het beeld dat hij geeft van Augustus' opvolger, keizer Tiberius, is uitgesproken negatief.

Toch is men tegenwoordig, na bestudering van het overgeleverde materiaal, van mening dat Tiberius een wijs en gematigd regeerder is geweest, die veel voor Rome heeft betekend. Hartman, de beroemde leidse latinist, had een portret van Tiberius op zijn werkkamer hangen, een grote ets, vervaardigd naar enkele beeltenissen die bewaard zijn gebleven. Van de zestiende eeuw af tot vroeg in de twintigste waren zulke prenten bijzonder geliefd. Zij werden in zware, vergulde lijsten gevat en in studeerkamers aan de wand gehangen, ook al berustte de uitbeelding van zo'n griekse of romeinse personality doorgaans meer op fantasie dan op werkelijkheid. Onder de afbeelding van Tiberius zat een koperen plaatje vastgeschroefd met het latijnse distichon:

vir bonus et prudens, falso quem crimine damnat,
testibus ac falsis, credula posteritas.

[een goed en wijs man, die door lichtgelovige nazaten, en nog wel op grond van valse getuigenissen, van misdaad wordt beticht.]

Zoiets ging prof. Hartman voortreffelijk af. Hij was een van de laatste nederlandse geleerden die fraai in het latijn kon dichten. Overtroffen is hij slechts door Dr. J.D. Meerwaldt, de legendarische klassicus, die een eervolle plaats inneemt in de vaderlandse Tacitus-traditie. Van hem is de tekst afkomstig, die in ons land door scholieren, studenten en liefhebbers wordt gebruikt. Dat een commentaar ontbreekt, is het directe gevolg van het bombardement in 1944 van de Euterpestraat (nu Gerrit van der Veenstraat) in Amsterdam , waarbij ook Meerwaldts huis in vlammen is opgegaan. Al zijn boeken en aantekeningen gingen verloren, waaronder het bijna voltooide handschrift van een nieuw Tacitus-commentaar, dat Meerwaldt zeker de internationale erkenning zou hebben opgeleverd, waarvan hij jammer genoeg nu verstoken is gebleven. Ook deze vernietiging past in de Tacitus-traditie. Het geschiedwerk van de grote Romein is immers onvolledig tot ons gekomen.

In de middeleeuwen werd het werk van Tacitus kennelijk weinig bestudeerd, hoewel hij zeker niet was vergeten. Bloemlezingen van zijn werk zijn echter niet vervaardigd en referenties aan hem blijken in de Carolingische renaissance (800) al betrekkelijk schaars. Twee handschriften hebben de middeleeuwen niettemin overleefd en daarvan is het ene, het manuscript met de eerste zes boeken van de Annalen, laat teruggevonden, incompleet, en pas in 1515 in boekvorm verschenen. Van de Historiën, een werk van wat vroeger datum, is ook maar een klein gedeelte over. Aangaande zijn toekomstige voornemens zegt Tacitus, - 'T en zy my 't leeven te kort valt, ik spaar het vorstendoom van den vergooden Nerva, en 't ryk van Trajaan voor mynen ouderdoom: tyden van een zeldtzaam geluk, daar 't vry staat te gevoelen wat men wil, en te zeggen wat men gevoelt." (vert. P.C. Hooft 1684). Uit niets blijkt dat de geschiedschrijver Tacitus de goede keizer Trajanus (98 - 117) lang heeft overleefd. Vermoedelijk is hij in de eerste jaren van de regering van Hadrianus (117-138) gestorven.

Tacitus moet hebben behoord tot de senatoriale oppositie, dat wil zeggen tot die aristocratische groep mannen, die zich wel wilde neerleggen bij het gezag van een princeps, maar toch de republikeinse traditie trouw bleef en met weemoed terugzag op een tijd, waarin grote redenaars op het Forum Romanum en in de Curia (het senaatsgebouw) de politiek van Rome bepaalden. Nu was de republiek wel in vlammen en wreedheid ten onder gegaan en misschien te groot geworden om door twee, jaarlijks verkozen, consuls, enkele volkstribunen en een machtige senaat te worden bestuurd. Maar de nauwelijks verhulde militaire monarchie, in de plaats gekomen van de vrije republiek, zinde de trotse burgers van Rome niet. Julius Caesar, zeer lankmoedig tegenover zijn vijanden, was door samenzweerders vermoord. Zijn achterneef, Octavius, na de adoptie door zijn oudoom, Caesar Octavianus geheten, zag kans in een driemanschap, samen met Antonius en Lepidus, de macht aan zich te trekken (43 voor onze jaartelling), de oppositie daadwerkelijk uit te roeien en de senaat voorlopig monddood te maken.

Veel strijd volgde, Antonius delfde het onderspit in Egypte, waar hij boeleerde met Cleopatra, de laatste der Ptolemaeën. Lepidus nam genoegen met het ambt van pontifex maximus en hield zich voortaan buiten de politiek. Toen Lepidus op een zijspoor was gezet, en Antonius zich in zijn zwaard had gestort, kon Caesar Octavianus de balans opmaken. In 27 legde hij ten overstaan van de voltallige senaat, aangevuld met jonge, de nieuwe politieke ontwikkeling gunstig gezinde, leden, zijn macht neer en verliet de Curia als gewoon burger van Rome. Drie dagen later verleende de senaat hem alle uitvoerende bevoegdheden en de naam Augustus, dat is "verhevene" én "vermeerderaar". Augustus was nu de eerste burger van Rome, de princeps. Hij hield de fraaie schijn van de republiek in stand, moedigde in de senaat vrije discussie aan en liet de consulsverkiezingen jaarlijks doorgang vinden. Augustus' opvolger Tiberius, strikt constitutioneel en zo mogelijk nog formalistischer dan zijn voorganger, ging opzij, wanneer een consul zich met lijfwachten op zijn weg bevond en hij boog diep het hoofd. Hoewel de invloed van de senaat tijdens het principaat van Augustus en Tiberius, beide beschaafde en kundige regeerders, niet mocht worden onderschat, had het machtscentrum zich toch verplaatst naar de princeps en diens bureaucratie en later vooral naar het leger, dat op den duur de macht bezat een princeps aan of af te wijzen, al naar gelang de gelukkige of ongelukkige kandidaat zich handiger dan wel minder handig had betoond in het omkopen van zijn soldaten (een droomland voor sergeant Bouterse!).

Tacitus, waarschijnlijk geboren in de nadagen van keizer Nero, had het principaat van het Julio-Claudische huis (Augustus, Tiberius, Caligula, Claudius en Nero) niet bewust meegemaakt. Hij moest afgaan op geschreven bronnen en mondelinge getuigenissen. Zelf doorliep hij de verplichte cursus honorum, die hoorde bij zijn rang, tijdens het principaat van Vespasianus, de genoeglijke, bejaarde vechtjas, die de macht na het vreselijke driekeizerjaar van 69, vast in handen had genomen. Zijn zoon Titus, de lieveling der mensheid (deliciae humani generis), regeerde slechts twee jaar. Hij werd opgevolgd door zijn broer Domitianus, een sombere, achterdochtige, moeilijke man, die allengs overging tot een schrikbewind. Na zijn gewelddadige dood besteeg de oude, vriendelijke advocaat Nerva de troon. Tijdens diens regering bekleedde Tacitus het consulaat. Door een systeem van adoptie, dat ongeschikte kandidaten voor de troon a priori uitsloot, werd het keizerschap als een zegen voor de mensheid beschouwd: Nerva adopteerde als zoon Trajanus, en deze Hadrianus. Hadrianus adopteerde de edele Antoninus Pius, die op zijn beurt, vermoedelijk op aandringen van Hadrianus, Marcus Aurelius als zoon had aangenomen. Nog eeuwen later werden de vijf goede keizers (de 'boni'), wier principaat zich had uitgestrekt over een kleine eeuw, van 96-180, in menig huishouden vereerd, door het zorgvuldig bewaren van munten en penningen met hun beeltenis (de vele amerikanen die nog een zilveren Kennedy-dollar koesteren, bevinden zich in goed gezelschap). Heeft Tacitus onder invloed van de verschrikkingen, die hij had meegemaakt ten tijde van het bewind van Domitianus, de geschiedenis die hij wilde weergeven van het Julio-Claudische Rome bijgekleurd? Het is vaak gezegd en even vaak weerlegd, het doet er ook niet zoveel toe.

Tacitus heeft op meeslepende wijze te boek gesteld, wat hij beschouwde als Rome's geschiedenis van de keizertijd. Voor het gewone volk had hij weinig oog, economische omstandigheden interesseerden hem niet. Hij beschrijft de historie van het keizerlijke Rome vanuit het standpunt van de magistraat, die getuige is van alle grootheid en kleinheid, waartoe de mensheid kan stijgen of dalen. Soms lijkt het of de onderwereld de poorten wijd heeft geopend en de laagste, de meest onzuivere, de allerafschuwelijkste geesten op Rome heeft losgelaten. De eeuwige stad verwordt tot een nachtmerrie van Jeroen Bosch. De lezer ziet de vertrokken gelaten, de afzichtelijke grimassen, hij hoort het wrede, hetsende gekrijs. Hij ruikt het bloed, voorvoelt de marteling, hij ziet de branden... Dan verblijft hij weer op de slagvelden, in het senaatsgebouw, hij woont de veelal futiele beraadslagingen bij en betreedt de huizen der hooggeplaatsten. Hij beleeft ademloos de val van Sejanus, Tiberius' kwade geest, de moord op Agrippina, de moeder van Nero, of de zelfmoord, die maar niet wil lukken, van de hoogbejaarde wijsgeer Seneca, eens de leermeester van Nero.

Het is een lange kroniek van lafheid, heldenmoed, abjecte slaafsheid en slimme konkelarij. Spannender dan de beste horrorfilm, alleen te vergelijken met wat wij in deze eeuw hebben meegemaakt, eerst onder de gesel van het hakenkruis, daarna onder het embleem van hamer en sikkel. Je verveelt je bij de lectuur van Tacitus geen ogenblik. In het boek dat ons nu in mooi verzorgde vorm door AMBO wordt aangeboden, zijn de 'Jaarboeken', Tacitus' rijpste werk, voorzover bewaard, opgenomen. De gevleugelde woorden "schitteren door afwezigheid" zijn het eerst geschreven door Tacitus en de lezer komt op elke bladzijde van de Jaarboeken passages tegen die onmiddellijk in het heden kunnen worden geplaatst. Hoe velen spreken niet, terwijl zij er tegelijk zo naar verlangen, laatdunkend over hoge onderscheidingen? Tacitus schreef: "Hoewel hij de schijn aannam dit van de hand te wijzen, had hij allervurigst gewenst dat zij als consuls werden aangewezen."

De vertaler is er in geslaagd het felle zinsritme in het nederlands over te brengen, zonder de betekenis geweld aan te doen. Zelf verontschuldigt hij zich voor het gebruik van anachronistische uitdrukkingen. Het in de vertaling invoeren van het begrip "byzantinisme" voor "gliscente adulatione" (hand over hand toenemende vleierij) is gewaagd. De term is modern, maar er wordt duidelijk mee aangegeven wat Tacitus heeft bedoeld. Dr. J.W. Meijer was bij leven een vermaarde huisarts, die in 1971 zijn veertigjarig jubileum vierde en niet zo heel lang daarna onverwachts overleed. Gelukkig was 'zijn Tacitus' voltooid. Je hoort Tacitus en hier en daar ook Meijer, die met zijn patiënten altijd rechtuit sprak, zonder omwegen. Hij was een geliefd arts en hij verdient een geliefd vertaler te blijven voor generaties Nederlanders die Tacitus niet in de oorspronkelijke taal kunnen lezen, maar wel willen weten wat er staat.