Home

Summertime

door Frans Goddijn en FS
Op de dag dat het overlijden van mijn vriend Johan Polak een jaar geleden was, deed ik heel alleen mijn werk op kantoor. Licht verbouwereerd dat niets in de lucht, geen gevoel of geluid refereerde aan wat een jaar tevoren hier was gebeurd. Ongeveer zoals iemand die zijn verjaardag niet wil vieren, het gevoel kan hebben dat men bij wijze van verrassing een loflied wil aanheffen, of dat er ballonnen uit het plafond zullen vallen. Maar er gebeurde niets. Aan het einde van de werkdag pakte ik mijn klarinet, ontsloot Johans kamer waar nu bijna niets meer staat, en speelde Gershwin's ``Summertime'', het eenvoudige, zo melancholieke liedje uit ``Porgy and Bess''. Toen ik was uitgespeeld, voelde de kamer even aan alsof deze, zo leeg, ineens volstroomde en ik vreesde zijn stem te zullen horen, maar er waren slechts de kasten, het tapijt, en zwarte gaatjes in de muur.

Thuis vond ik een fax van FS, die mij zijn herinneringen schreef: "Afgelopen zondag, in de boerderij van mijn schoonouders, zat ik 's ochtends na het wassen op de rand van mijn logeerbed in dezelfde kamer die mij bij mijn eerste overnachtingen werd toegewezen. De kamer, het raam en het uitzicht op de binnenplaats met de leeuweriken, het is allemaal hetzelfde gebleven. Als ik mijn ogen sluit, ben ik zevenentwintig, beneden hoor ik de tiener-zusjes van J. kwetteren en alle doden leven nog.
Mijn eerste ontmoeting met Johan vond plaats in het Belvoir hotel in Nijmegen. Ik had in die hotelkamer geen idee wie tegenover mij zat, wat Johan deed of gedaan had, niets. Alleen wist ik dat hij jou goed kende en veel van literatuur afwist. Op de een of andere wijze kwam het gesprek op poëzie. `Of ik wel eens gedichten las en van wie?' `Mijn God', dacht ik, `daar zul je het hebben; het misverstand is gerezen dat ik wel eens wat lees. Ik lees, maar niets bijzonders, platgetreden paden, nooit experimentelen, nooit gedichten die ik niet begrijp, niks van enig belang. Hoe red ik mij hieruit?' In verblufte eerlijkheid bekende ik veel van Bloem en Nijhoff te houden, en dacht: `wat kan het mij ook schelen of hij vindt dat ik een belegen smaak heb, het is niet anders'. Rutger Kopland noemde ik als derde, omdat ik dacht dat ik het nu weer niet te gek moest maken met mijn onkunde van het eigentijdse. Tot mijn verrassing, moet ik achteraf bekennen, bleek Johans esthetisch gevoel af te wijken van dat van de gemiddelde leraar Nederlands, en stemde hij in met mijn voorkeur voor de twee groten. Ik heb Johan maar enkele keren gesproken, maar die eerste keer was richtinggevend voor alle gesprekken. Zijn warme stem die zeer zuiver lange zinnen contruerend kostbare details schilderde in het beeld van zijn geliefde dichters. Kopland kwam die avond niet meer ter sprake. Wanneer we elkaar zagen, voerden we elke keer opnieuw, maar met toenemende hartstocht, in wezen hetzelfde gesprek."