Home

Soest

door Johan Polak & Frans Goddijn

De tram komt tot stilstand, de deuren kiepen open, maar slechts een enkeling stapt uit en vrijwel niemand probeert zich tussen de compacte massa passagiers naar een betere staanplaats te dringen. Lijn 16 rijdt weer verder. In de verte komt, geluidloos, de volgende tram al aan. Gelegenheid voor de wachtenden om elkaar even op te nemen. Een lange, wat slome jongen beent heen en weer over de smalle halteplaats, midden in het drukke avondverkeer. Hij heeft een iets gebogen rug, alsof hij gebukt gaat onder zijn donkere schoonheid. De ziel van een jongen huist hier in het lichaam van een groot man, een verschijning die aanhankelijkheid, bewondering en lust opwekt, waar de jongen zich misschien geen raad mee weet. Een wat oudere vrouw kijkt me aan. Zij is klein, fragiel, maar fier. Haar dunne grijze haren wapperen, hoewel het niet voelbaar waait, om haar ogen. De lange donkere rok onder haar mantel is van leer, de jas van wit bont, bespikkeld met zwart. Het oude-damestasje heeft een groteske sluiting en in haar oren draagt ze beeldhouwwerken. Ken ik haar? Vanuit mijn ooghoeken tast ik haar silhouet af. Ze komt naar me toe en trekt mij terzijde. "Mag ik U iets bekennen?", vraagt ze, iets te luid, alsof ze aanneemt dat ik - ook al niet meer de jongste - moeite heb met mijn gehoor, "ik wil zo graag met U naar bed!" Mijn hart slaat een slag over, het is jaren geleden dat mij een dergelijk verzoek werd gedaan, maar ik val meteen terug op wat ik destijds ook antwoordde - toen afdoende remedie - "Mevrouw, ik moet U iets ernstigs vertellen". Zo streng mogelijk, na een pauze om het effect te vergroten, vertrouw ik haar toe dat mijn handeltje is weggenomen. "Mijn zaakje is failliet". De vrouw blikt noch bloost. Waar ken ik haar toch van? Ze lacht, en zingt mij zachtjes voor:

"Och had ik het maar geweten, dan had ik 't niet gedaan -"

Waarna ik inval en, precies zoals in de groentijd van het corps, nu met haar meezing:

"Mijn ballen zijn versleten, mijn ding kan niet meer staan -"

De volgende tram heeft inmiddels voor ons stilgehouden, binnen ziet het er ruim en licht uit... we verlaten de halte en hollen samen, lachend, twee stoute kinderen, naar het dichtstbijzijnde hotel.

Zoveel beter is het voor de vrouw
Als zij in een hemd vrijt,
Zoveel beter is 't voor kameraad vrouw
Wanneer zij in die dracht gedijt.

[Paul Verlaine, vert. naar Judith Mok]

Misschien schreef mijn minnares 's avonds, citerend uit "Over de regels van het spel" van Marjo van Soest, met dikke letters in haar dagboek: "het leven gaat door, al verpulveren de banden".