Home

Socrates

door Johan Polak & Frans Goddijn

Een oude man luistert in bed naar fluitmuziek: een meisje is door zijn vrienden gestuurd om voor de zieke te komen spelen. Maar een valse noot heeft de oude ontstemd, en hij laat haar gaan. De man zal sterven voor het avond is. Bijna vijftig jaar tevoren was zijn leermeester gestorven. Deze ontwaakte op de dag van zijn aangekondigde dood in een cel, met een enkel geketend aan zijn bed. Zijn vrouw was er met haar twee zoons, jonge kinderen nog, om afscheid te nemen. Zijn vrienden kwamen binnen voor een laatste gesprek met hem. De man, ter dood veroordeeld, vroeg een van hen zijn gezin naar huis te brengen, daar het verdriet van zijn vrouw hem hinderde. Hij wilde voor de laatste maal ongestoord met zijn vrienden spreken. Zijn vrouw en kinderen verdwijnen hiermee voorgoed uit de geschiedenis, even naamloos als de jonge slavin die gehuurd was om fluit te spelen.

De twee verhalen over deze onbekenden raken mij onmiddellijk. Alleen... deze twee op het einde van hun leven gekomen mannen heetten Plato en Socrates --- hun namen zijn zo verheven, dat het moeite kost hun naderbij te komen, al is de weg tot hen, door de poëzie heen, prachtig om te gaan.

Offert Asklepius een haan
want hij is tot den dood genezen
die door zijn volk is uitgewezen
en ongeweten heengegaan
[Ida Gerhardt]

Wat is de betekenis van "Offert Asklepius een haan"? Socrates zou deze woorden tot zijn vrienden gesproken hebben vlak voor hij de gifbeker leegde. Nauwkeurig geduid zijn zij nooit. Doorgaans wordt gedacht dat Socrates heeft bedoeld dat de dood een genezing zou zijn van het leven. Daarom zou de mens als het einde nabij was, een haan moeten offeren aan Asklepius, de god van de geneeskunst. Of was het soms een bewijs van vriendschap, gericht tot Plato, leerling van Socrates? Deze had de laatste dag van zijn leermeester tengevolge van ziekte niet kunnen meemaken.

Socrates was de zoon van eenvoudige ouders, een beeldhouwer en een vroedvrouw. In zijn jeugd zou hij zelf beelden hebben gemaakt. De stad Athene bereikte haar hoogste bloei in de griekse wereld rond het midden van de vijfde eeuw voor onze jaartelling. De Perzen zijn verslagen en er is een Attische zeebond gesticht. Socrates doet zijn intrede op het griekse toneel wanneer de glorie van Athene al aan het tanen is, maar de oorlog met Sparta nog niet uitgebroken. Er vindt een wending plaats in de griekse wijsbegeerte: de filosofie, aanvankelijk gericht op de natuur, op het zoeken naar de oorsprong van alle dingen, maakt plaats voor een wijsbegeerte die zich bezig houdt met mens, gemeenschap en de gevolgen van het menselijk handelen voor het maatschappelijk bestel. Vragen als "wat is recht", "wat is toegestaan aan de sterksten", "hoe dient men zich te gedragen tegenover vrienden, hoe tegenover vijanden" komen centraal te staan. Socrates, zelf een sofist, heeft zich doorgaans afgezet tegen de mening van andere filosofen, vaak geen Atheners, die op de markt en de pleinen hun onderricht gaven.

Niet iedereen is het ermee eens om ook Socrates als een sofist te beschouwen, maar hij moet wel tot hen gerekend worden, zij het dat hij van een groter zedelijk gehalte getuigde. Door zijn gespeelde naïviteit lukte het hem de holheid en de frasologie van zijn tegenspelers in het debat aan te tonen. Hij zocht de jeugd op, die hij wist te winnen voor zijn ethische opvattingen. De meeste jongelieden met wie hij discussieerde, waren vrijgestelde zoons van voorname ouders, die elkaar troffen in worstelperken en badhuizen. Voor onze hedendaagse studenten is het moeilijk zich voor te stellen dat een man als Socrates zijn gespreksgenoten op deze plek aantrof.

Maar uit deze discussieplaatsen zijn niettemin de vier grote griekse filosofenscholen voortgekomen, die weer de voorlopers werden van onze huidige universiteiten. Socrates werd gedreven in zijn verlangen onderricht te geven door de pedagogische eros. Het griekse ideaal van de opvoeder die verliefd wordt op de jongere knaap, maar deze niet gebruikt, doch hem zijn kennis overdraagt.

Het Atheense publiek keek met grote reserve aan tegen Socrates en schoor hem over een kam met de sofisten, wier gedachten, vooral op het gebied van staat en recht, niet alle even aanbevelenswaardig waren (het recht van de sterkste, de intentie om zijn vijanden kwaad te berokkenen). Zo kon de Athener Socrates, lelijk om te zien, lichamelijk niet beantwoordend aan het griekse schoonheidsideaal, toch tot publieke figuur worden, gehoond door de burger maar geliefd bij de jeugd. De ouden, die vasthielden aan de strenge zeden en de godsdienstige overtuigingen van weleer, namen aanstoot aan hun zoons, die samen met de hun vergezellende slaven, in de leer gingen bij Socrates en als nieuwlichters thuiskwamen. Toen Socrates, al hoogbejaard, werd aangeklaagd, gold de aanklacht "dat hij de jeugd bedierf en nieuwe goden invoerde".

Dat wij van dit alles zo goed op de hoogte zijn, danken wij niet aan Socrates zelf, die nooit een letter heeft geschreven, maar aan zijn leerlingen Xenophon en Plato. Plato, afkomstig uit een van de aanzienlijkste families van Athene --- zijn moeder voerde haar stamboom rechtstreeks op Solon terug --- wilde tragediedichter worden. Een onverwachte ontmoeting met Socrates wijzigde zijn levensloop en betekende het einde van een ontluikend dichterschap. De macht over de taal die Plato later aan de dag heeft gelegd in zijn DIALOGEN staaft de overlevering dat Socrates in een visioen de grootheid van de jonge Plato had voorzien. Onvergetelijk is het SYMPOSIUM. Een enkele aanhaling toont dit aan.

Juist had Socrates zijn rede over Diotima, de priesteres uit Mantinea die hem omtrent het wezen van de liefde had ingewijd, beëindigd, toen "er plotseling op de buitendeur was gebonsd met veel lawaai zoals mensen maken die van een feest komen, en ze hoorden ook muziek." Deze paar woorden leiden de komst in van Alkibiades, de jonge staatsman, lieveling der Atheners, die straks door zijn woorden aan de feestdis, waarin hij Socrates schetst als de ideale minnaar, de dialoog SYMPOSIUM onmiddellijk naar het onvergetelijke hoogtepunt zal voeren. Hij vergelijkt Socrates met de satyr Marsyas, de fenomenale fluitspeler die ooit door Apollo levend was gevild. Want, zegt Alkibiades, "wanneer ik hém hoor, dan bonst mijn hart nog veel sterker dan bij de meest meeslepende muziek en ik krijg tranen in m'n ogen van de woorden van die man. En ik zie dat een heleboel mensen hetzelfde overkomt. Wanneer ik naar Pericles luister en naar andere grote redenaars, vond ik wel dat ze goed spraken, maar zóiets overkwam me dan niet. Mijn geest raakte er niet door in verwarring en ik ergerde me dan niet over m'n eigen slaafse situatie. Maar door die Marsyas ben ik dikwijls in een toestand geraakt dat ik vond dat een leven zoals ik dat leidde geen enkele zin had."

De komediedichter Aristofanes heeft een van zijn meest schitterende blijspelen, DE WOLKEN, gewijd aan Socrates en de wijsgeer tot mikpunt gemaakt van zijn spot. Aristofanes verkondigde de zienswijze van de ouden en zag Socrates, de nieuwlichter, als een gevaar. Aristofanes laat "het oude" aan het woord, dat afgeeft op "het nieuwe leuteren en de kwakende kwebbels"

Doe jongeling dus, doe 't geen ik u zeg;
volg moedig en kloek dien eenigen weg;
breed wordt ge van borst, stoer, struisch en kuisch,
frisch blozend van kleur en krachtig in 't kruis,
van schoeren vierkant,
kortbondig van taal in kantigen trant.
Maar gaat ge de richting der jongeren uit,
dra ziet ge verpieterd en groez'lig van huid;
van lenden slap en smal van borst,
met een hals, die het hoofd ternauwernood torst
en het geestelijk zwak
van een motie-en-amendement-maniak.
En hij leert bovendien
al 't lage als goed en edel te zien.
[Aristofanes, 452-388 v.Chr.]

Socrates was ervan overtuigd dat de mens over alle kennis beschikt maar deze moet terugroepen door middel van de herinnering. Hij zag zichzelf in het beroep van zijn moeder en riep in gesprekken met jonge en onwetende lieden hun kennis op door het stellen van eenvoudige vragen, waarbij hij voorgaf zelf niets te weten. Zijn toehoorder of gesprekspartner werd door hem gewezen op verkeerde uitgangspunten en valse zienswijzen, en zo lukte het Socrates zelfs een jonge slaaf te brengen tot een ingewikkelde wiskundige bewijsvoering. Hij riep immers alleen maar iets in de herinnering terug! De vorm was al in het marmer aanwezig en moest alleen tevoorschijn worden gehaald door de werktuigen waarvan ooit zijn vader zich had bediend. Het moest gebaard worden.

Zeker heeft Arisofanes bijgedragen tot het negatieve beeld van Socrates. Voor het gerecht gedaagd, citeert Socrates enige verzen uit DE WOLKEN. Zijn verdedigingsrede, die door anderen is opgetekend, blijkt een meesterstuk van ironie en moet om die reden de jury zo mishaagd hebben, dat Socrates tot de dood door de gifbeker wordt veroordeeld. Socrates heeft in dit vonnis berust, geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden die hem werden geboden om te vluchten en vol humor de beker gedronken toen deze hem werd aangereikt. De naaste vrienden van Socrates waren bij hem, Socrates werd van zijn boeien bevrijd en wreef zijn wat pijnlijke enkel. Het gezelschap zou wijsgerige gesprekken hebben gevoerd en toen men Socrates tenslotte kwam aankondigen dat de tijd gekomen was om de gifbeker te ledigen, drongen de vrienden aan op enig uitstel. Zij brachten naar voren dat ter dood veroordeelden soms de beker niet hadden geledigd alvorens een overvloedige maaltijd te hebben gebruikt en zich te hebben overgegeven aan mingenot. Socrates gaf te verstaan dat hij dat onzin vond en dat nu de tijd was gekomen om te sterven.

I.F. Stone, die een opmerkelijk boek heeft geschreven, getiteld HET PROCES SOCRATES (1988), waarin hij de wijsgeer niet zonder steekhoudende argumenten kritiseert, geloofde dat Socrates dood wilde. Wat had hij nog te verwachten? Aftakeling, ziekte en misschien een lange lijdensweg.

Het drama Socrates bestaat hierin dat die jongelieden die zich het meeste in zijn omgeving hadden bevonden, Athene naderhand onnoemelijke schade hebben berokkend. Deze duistere kant van Socrates wordt door I.F. Stone sterk belicht. Misschien te sterk. Socrates moet grote sympathie hebben gehad voor de jonge neef van Pericles, Alkibiades, die zich ontwikkelde tot een geniaal strateeg maar, op een onbewezen aanklacht door de Atheners verbannen, naar de vijand overliep. De ongunstige wending die de oorlog tegen Sparta heeft genomen, is zonder enige twijfel voor een deel aan Alkibiades te wijten. Toen Athene de oorlog had verloren en gedwongen was met Sparta vrede te sluiten, nam een schrikbewind de plaats in van het democratische bestuur. De leider van dit schrikbewind, Critias, hoorde helaas ook tot de naaste omgeving van Socrates. Geen wonder dat in de jaren van het herstel van de Atheense democratie Socrates met scheve ogen werd aangekeken. Athene ging gebukt onder grote frustraties en vermoedelijk is juist Socrates daar een van de eerste slachtoffers van geworden.

Dat verschillende volgelingen van Socrates zouden uitgroeien tot de grote schrijvers en denkers van de eeuw die was aangebroken in het jaar van Socrates' terechtstelling, had geen Athener, behalve zij die tot de kring der vertrouwelingen behoorden, kunnen voorzien. Volmaakt is dit dilemma weergegeven door de romantische dichter Hölderlin, die de vraag aan de orde stelt, waarom Socrates zoveel ziet in Alkibiades. Het antwoord van Socrates geeft de essentie weer van zijn wijsgerige denken.

SOCRATES UND ALCIBIADES

"Warum huldigest du, heiliger Sokrates,
Diesem Jünglinge stets? kennest du Grössers nicht?
Warum siehet mit Liebe,
Wie auf Götter, dein Aug auf ihn?"
Wer das Tiefste gedacht, liebt das Lebendigste,
Hohe Jugend versteht, wer in die Welt geblickt,
Und es neigen die Weisen
Oft am Ende zu Schönem sich.