Home

Edith Sitwell, English Eccentrics vertaald

door Johan Polak & Frans Goddijn
Het blijkt niet eenvoudig alledaagse gebeurtenissen goed en geestig te beschrijven. Onze landgenoot Simon Carmiggelt was daartoe in staat. Hij leidde een onopvallend leven temidden van gewone mensen en wist zijn ervaringen neer te leggen in gewone woorden. Wie, zoals Dame Edith Sitwell, een buitennissig leven leidt temidden van niet-alledaagse mensen, heeft het moeilijker. Het is immers alleen voor de beste stylisten weggelegd het carnavaleske weer te geven in een tekst die niet zelf aan gekkigheid ten onder gaat. Sitwell, auteur van ENGLISH ECCENTRICS, A GALLERY OF WEIRD AND WONDERFUL MEN AND WOMEN, slaagt daar soms in. Christien Jonkheer, de vertaalster van VREEMDE PORTRETTEN, EEN LEVENDIG PANOPTICUM VAN PRETTIG GESTOORDE ENGELSEN, zelden.

Edith Sitwell kan niet worden ingedeeld bij een vaste literaire groep of stroming in de engelse letteren. Stellig heeft ze contact gehad met de schrijvers van Bloomsbury en ongetwijfeld zijn alle belangrijke dichters aan haar voorbijgetrokken (ook zelf heeft zij ook mooie verzen gemaakt), maar goed plaatsen kan men haar niet. Zij leeft meer voort als grande dame van de literatuur dan als scheppend kunstenares. In het voorbijgaan kan worden aangestipt dat zij James Purdy heeft ontdekt, een bewijs van haar fijne smaak als lezeres.

George Steiner vertelde onlangs in Amsterdam hoe de lezer in zijn hart, terwijl hij leest, probeert een beter boek te schrijven. Dat is ons bij het lezen van VREEMDE PORTRETTEN niet gelukt, maar wel schoten ons telkens andere schrijvers te binnen die vergelijkbare passages mooier hebben geschreven.

Sitwell opent haar boek met de weersomstandigheden.

Bij dit vreemde grauwgure 'ganzeweer', nu zelfs de sneeuw en de zwart-gerande wolken oude toneelrekwisieten lijken, afgedankte rafelige kostuums van dode spelers, 'een hoededoos met als inhoud de grime voor een moordenaar: een groot stuk gebrande kurk en een roetzwarte pruik', en nu de wind zo koud is dat hij lijkt op 'een zee,(...)"

Dit wonderlijk geschreven weerbericht - Erwin Krol is er niets bij - voert haar gedachten naar Burtons ANATOMY OF MELANCHOLY. Zo'n passage legt meteen de zwakte van het boek bloot. Nauwelijks één lezer van vandaag zal begrijpen op wie zij doelt, zeker geen nederlandse lezer.

Sitwell eindigt haar boek met dezelfde weersbeschrijving. Wat dat betreft staat zij in een negentiende-eeuwse traditie. Uit het historisch-psychologisch onderzoek BOURGEOIS EXPERIENCE, verricht door Peter Gay, wordt duidelijk dat de mensen in die tijd vooral het weer hebben gesproken.

Sitwells boek gaat ogenschijnlijk over een reeks gekken, half-garen en idioten, voor zover die door overlevering of verzinsel pittoresk zijn geworden. Zelf een excentrieke dame, heeft zij her en der naar dwazen gezocht, met een speciale voorkeur voor de rijke exemplaren. Haar verzameling is echter willekeurig.

Toen het nederlandse TV-programma SHOWROOM sympathieke landgenoten portretteerde die er een uitzonderlijke levensstijl op nahielden, bleek aan kandidaten geen gebrek, integendeel. Sitwell is het net zo vergaan, maar het lukt haar niet overzicht en ordening in het materiaal aan te brengen, waardoor het boek veel weg heeft van een door de motten aangevreten lappendeken. Ten gevolge van de overdaad aan details, die niet alle ter zake doen, ziet Sitwell zich genoodzaakt deze aan elkaar te rijgen met ongelukkige zinnetjes als: Hier komt nog een herinnering, (...) dit verhaal heb ik uit de geschriften van (...) ook hebben we de zeeman Richard Brothers, (...) langzaam verdwijnt hij uit ons gezichtsveld,' enz. In "Showroom" traden levende mensen op, uit VREEMDE PORTRETTEN komen figuren tevoorschijn van lang geleden, zonder dat de schrijfster hun scherpe contouren kan verlenen.

Bij het beschrijven van dwaze ideeën die mensen hebben gehad over de maan, worden in één adem Plinius, Gellius, 'de mensen van Pelusium', Aristoteles, Galenus, Van Helmont en 'een zekere Dr. Moseley' genoemd, zonder dat duidelijk wordt waarom Sitwell juist deze noemt en niet een aantal andere die minstens even gekke gedachten over het hemellichaam hebben gekoesterd, zoals bijvoorbeeld Fontenelle in het beroemde ENTRETIENS SUR LA PLURALITE DES MONDES (1688).

Soms helpt zelfs een lang citaat niet, en moet de schrijfster na de ruime bladvulling "bekennen dat ik aan de beschrijving van de tuin van deze deugdzame oude heer evenmin een touw kan vastknopen als aan zijn idealen, maar het lijkt buiten kijf te staan dat hij zowel wilde vermaken als leren."

De vertaling suggereert ook hier dat Sitwell niet kon schrijven. "Of this not entirely pleasing old lady, Mr Cyrus Reading said, with commendable restraint, that 'her disposition was eccentric, and when she once adopted an idea, nothing could induce her to abandon it'". Als door een vertaalcomputer vermalen, wordt dit:"Van deze niet onverdeeld aangename oude dame heeft Cyrus Reading met prijzenswaardige terughoudendheid gezegd dat 'haar karakter excentriek was, en dat ze wanneer ze eenmaal een idee had geaccepteerd, niets haar ertoe kon bewegen er afstand van te doen'." Om een ander voorbeeld te geven: - So died an exaggerated shadow, cast in fashionable places", wordt - Zo ging een sterk uitvergrote schaduw heen die zich projecteerde in een chique (sic!) milieu."

Sitwells beschrijving, door citaten aan elkaar te plakken, van de 'zonnemicroscoop' waarmee een reizende kwakzalver het publiek vermaakte ( - men zal in verschillende planten en in meer dan tweehonderd levenloze voorwerpen talrijke verrassende insekten kunnen waarnemen'), haalt het niet bij de eenvoudige, maar magische wijze waarop Christoph Ransmayr in DE LAATSTE WERELD, vorig jaar vertaald, verhaal doet van een identiek apparaat, daar beeldwerper genaamd ( - dan meende men het innerlijke leven van de dingen waar te nemen, een flakkeren, een pulseren en trillen, waarbij vergeleken de bewegingen van de uiterlijke wereld slechts lomp en nietszeggend leken').

VREEMDE PORTRETTEN bewijst dat prachtig materiaal op zichzelf niet garant staat voor een zinderend en kleurrijk boek. Het succes hangt af van de formulering. Het aardigst zijn Sitwell en haar vertaalster op dreef in het hoofdstuk over verstrooide professoren (jammer genoeg is het grootste deel daarvan overgeschreven).

Nu leenden de grote geleerden van de achttiende en negentiende eeuw zich voor een schitterende anekdotiek. De grappen over Porson en Bentley, de twee grootste classici van de achttiende eeuw, zijn legendarisch. Een bijkomstigheid werd gevormd door hun drankzucht. Porson, een van de grootsten, moet nauwelijks ooit nuchter zijn geweest en dat was voor die tijd niet zo ongewoon. De anekdote die Sitwell overneemt, is erg aardig.

Porson schrikt in een koets wakker van een jonge man, kersvers uit Oxford, die de dames wilde vermaken met een grieks citaat. 'Ik geloof, jonge heer, dat U ons zojuist op een citaat van Sophocles heeft getrakteerd, maar ik herinner me niet dat het daar voorkomt'. 'Ach meneer,' antwoordde de nietsvermoedende jongeman, 'het citaat is letterlijk zoals ik het al zei, en wel degelijk uit Sophocles, maar ik vermoed dat het al enige tijd geleden is dat U de universiteit heeft bezocht.' Nadat de professor even in zijn overjas had zitten zoeken, kwam hij met een kleine pocketuitgave van Sophocles voor de dag en verzocht hij de jongeman het citaat op te zoeken. Deze zat met een ongelukkig gezicht wat te bladeren en moest vervolgens toegeven dat hij het niet kon vinden, tot het hem plots te binnen schoot dat 'de passage van Euripides is'. De professor fronste zijn wenkbrauwen en kwam met de werken van die schrijver op de proppen zodat de jongeman weer kon zoeken en zei: 'Dan wilt U misschien zo goed zijn, meneer, om het hier in dit boekje voor mij op te zoeken.' De angst was de jongeman nu danig om het hart geslagen, maar om zijn gezicht niet te verliezen bij de dames, riep hij uit: 'Verdraaid meneer, wat ben ik toch een uilskuiken, nu herinner ik het me, ja natuurlijk, de passage is uit Aeschylus.' De professor haalde een boekje uit zijn zak. De jongeman had nu echter zijn buik vol van geleerdheid en begon te schreeuwen: 'Stop de koets. Laat me eruit. Laat me eruit, zeg ik. Hier zit een kerel met een hele universiteitsbibliotheek in zijn zak, laat me er alsjeblieft uit, hij moet de duivel zijn, of Porson in eigen persoon.'

Omdat de anekdote hier eenvoudig en begrijpelijk is, heeft ook de vertaling gewonnen. Een andere anekdote vertelt dat Porson zijn gastheren kwelde met een teveel aan zitvlees. Tenslotte moest men hem verbieden langer dan tot een aangegeven uur te blijven. Wanneer de professor toch vier nachten achtereen door blijft converseren, slaat zijn gastheer op de vlucht en ontstaat er een hoffelijke achtervolgingsscène die beroemde slapsticks evenaart.

Daarna is het echt gebeurd. Het boek sleept zich naar een einde, maar Sitwell weigert, net als de professor, op te krassen en zeurt nog twee lange bijlagen door.

Een boek geschikt om op het nachtkastje te leggen van ontwikkelde echtelieden die hun huwelijksboek tot de laatste bladzijde toe hebben uitgelezen: misschien schieten ze toch een keer in de slappe lach en besluiten ze het eens ouderwets gezellig te maken.