Home

Shelley

door Johan Polak & Frans Goddijn
Toen we het afgelopen jaar in Londen waren, was het mijn taak om Johan door de stad te voeren met een plattegrond in mijn hand. De ondergrondse treinverbindingen leiden door een overzichtelijke wereld die mooi is in haar eenvoud, maar de bovengrondse wereld is duizelingwekkend ingewikkeld en lijkt zich niet te houden aan de beloften van het stratenplan. Het werd een lange speur- en wandeltocht langs een zestal exclusieve antikwariaten, die elk met hun kostbare boekenbezit onopvallend zetelen in oude panden, soms achter naamloze deuren in bewaakte flatgebouwen. Eenmaal binnen zagen we boekenwanden die ik nooit tevoren had gezien: duizenden zeldzaamheden, eeuwen geleden gedrukt en met de hand gebonden in ragdun leer, stevig rood marokijn, of glanzend wit perkament. De antikwaar en zijn klant wisselden gegevens uit in een beleefde geheimtaal, waarbij over en weer werd geïnformeerd naar het welzijn van deze of gene bekende relatie en waarbij de boekhandelaar steeds probeerde uit te vissen welke boeken de klant reeds bezat. De klant hield die laatste vragen vriendelijk af en informeerde op zijn beurt naar de vindbaarheid van werken die hij zocht, of waarvan hij de huidige marktwaarde discreet wenste te peilen. Vervolgens werden boeken getoond op het belang­stellingsgebied van de bezoeker, terwijl de indruk bleef bestaan dat er nóg een kamer was, waar geheel andere exemplaren ter be­schikking stonden voor een meer ingewijde kring van verzamelaars.

De bezoeker vroeg met een boek of blad van een geliefd dichter in de hand: 'is it rare?' waarna ik werd getracteerd op een scala van nuanceringen van het begrip zeldzaamheid. Een van de boeken die we die week in de hand hielden, bevat de herinneringen aan de laatste dagen van de dichter Shelley, opgetekend door Edward John Trelawny. Een boek dat Johan zijn hele leven had gezocht. Voor mij vonden wij een uitgave van de kwatrijnen van de perzische dichter Omar Khayam. We hadden eindelijk beiden de buit binnen en bleven de overige dagen in het hotel, schrijvend en genietend van de engelse High Tea, de verzen van Shelley en de Rubaijat.

Aan een droom vol weelde ontstegen
bij 't geklaag der nachtegalen,
als de winden licht bewegen
en de sterren schitterend stralen,
waak ik op ...
[Shelley INDISCHE SERENADE, vert. Hendrik de Vries]

Toen kapitein ter zee Trelawny in 1822, niet lang voor Shelley's dood, de dichter voor de eerste maal ontmoette, kon hij zijn ogen niet geloven: 'was deze magere, opgeschoten jongen, deze baarde­loze, schuchtere knaap in het zwarte wambuis, waar hij leek te zijn uitgegroeid, het verschrikkelijke monster dat de wereld de handschoen had toegeworpen?'

Percy Bysshe Shelley werd in 1792 geboren in de lagere adelstand. Van zijn jeugd is niet veel bekend. Op school werd hij door zijn medeleerlingen geplaagd; hij leed er onder de bekrompen sfeer. Aan de universiteit vond hij zijn eerste kameraden, met wie hij levenslang een band heeft behouden. Als jongen al raakte hij gegrepen door de idealen van de Franse Revolutie, op haar hoogtepunt toen hij geboren werd. Opgevoed met de griekse tragedie en met Plato raakte hij vertrouwd met diens wijsgerige overtuiging dat de liefde voor het ene mooie lichaam bij ons de liefde moet wekken voor alle mooie lichamen en zo voor de schoonheid zelf.

Hij stelde zich een wereld voor waarin de mensheid bevrijd zou zijn van armoede, uitbuiting en tyrannie. De bevrijde mens zag hij zoals Herman Gorter hem tekende in de gedaante van de zelfbewuste man of van de vrouw, die de gelijke van de man zou zijn:

Van uit een nieuwe wereld treedt
een vrouw mij toe met hangend kleed,
zoo helder als ik nimmer zag,
het oog zoo stralend als de dag.

Zij heeft geen enkel sieraad aan
van schuwheid, en geen enklen waan,
maar zij is zuiver als een glas,
alsof ze zoo geboren was.

Haar arm is in een zuivren hoek,
in schoone stralen valt haar doek,
en om haar schoon gelaat gezond
speelt 't helderst licht van keel en mond.

[Herman Gorter VERZAMELDE LYRIEK tot 1905]

Toen Gorter, een groot bewonderaar van Shelley, precies een eeuw geleden zijn gedicht MEI publiceerde, waren er slechts enkelen die de kwaliteiten van dit lange gedicht onderkenden, en nu honderd jaar later blijkt, naar de uitkomst van een mini-enquête, het gedicht opnieuw vergeten. Frederik van Eeden slaakte bij het verschijnen van MEI al de verzuchting dat het in geen land een zo ondankbaar werk was om iets heel moois te schrijven als in ons land, dat al lange tijd gewend was geweest lelijke en onbelangrijke verzen hoog aan te slaan. "In zulke omstandigheden", zo zegt hij, "moeten de eersten, die iets goeds maken, het meestal deerlijk misgelden. William Blake, de voorloper der grote Engelse poëten, werd in zijn tijd voor krankzinnig gehouden. Shelley's werk werd tijdens zijn leven bijna niet gelezen. Toen Keats, die medicus was, zijn Endymion uitgaf, schreef de Times dat die heer beter gedaan zou hebben met maar bij zijn pillen en zalfpotten te blijven, in plaats van zulk kreupel gerijmel te maken." Doordat Shelley zo'n groot dichter was, iets wat de Engelsen tot Shelley's geluk niet hebben geweten, daar zij anders, om een uitspraak van Oscar Wilde aan te halen "zich met klauw en tand op hem gestort zouden hebben", bleef zijn dichterschap een goed bewaard geheim. Maar ook de details van zijn levensgang zijn verborgen gehouden.

Veel documenten en brieven werden tijdig vernietigd en de vader van Shelley, Sir Timothy, die zijn zoon lang overleefde, had de familie een publicatieverbod opgelegd. Immers, Shelley behoort tot de eerste generatie der post-revolutionaire romantici, vervuld van de idealen van de Franse Revolutie, de commune, de vrije liefde en het gemeenschappelijke bezit. Daarmee stelde hij zich buiten de klasse waartoe hij naar geboorte behoorde. De stemming in Engeland was in die jaren niet pro-Frans. De Engelsen hadden veel geleden onder de Napoleontische oorlogen en de verschillende blokkades op zee. Een heel kleine groep francofielen dweepte echter met de Franse revolutie en had zich niet ontzien toen de revolutie op haar hoogtepunt was zelf eens een kijkje in Frankrijk te gaan nemen.

Die tijd is een beetje vergelijkbaar met het Vietnam-protest van de jaren zestig van onze eeuw, de periode van flower power en rockmuziek. Een kleine zeer spraakmakende groep keerde toen zich tegen de gevestigde orde en meende in de studentenrevolte in Frankrijk met de kreet DE VERBEELDING AAN DE MACHT zijn idealen terug te vinden. Een Robespierre heeft deze eeuw gelukkig op het toneel ontbroken.

Nadat Napoleon en Frankrijk verslagen waren nam de europese politiek een wending in behoudende zin. Shelley en de zijnen bleven de idealen van de Franse revolutie trouw, en haalden zich daarmee de wrok van de Engelse burgerij op de hals. Het zijn juist die jaren na de Frans Revolutie waarin Shelley zich ontwikkelt tot dichter, al blijft het een raadsel hoe hij dat heeft gekund, achtervolgd door de maatschappij en door schuldeisers. Hij schrijft in deze tijd van spanning en verwarring zijn eerste voldragen dichtwerk ALASTOR; OR, THE SPIRIT OF SOLITUDE:

er was een dichter wiens ontijdig graf
geen menshand vroom-eerbiedig heeft gebouwd,
maar herfstwindvlagen door zijn lijk bekoord,
hoopten een piramide eroverheen
van blader-lijken in de wildernis.

[vert. Albert Verwey]

Onrustig geworden van het voor hem in alle opzichten bedreigende Engeland begeeft hij zich naar Frankrijk en Zwitserland.

'T was a time when Europe was rejoiced,
France standing at the top of golden hours
And human nature seeming born again.
[Wordsworth]

De werkelijkheid was helaas anders: geplunderde steden, verwoeste landschappen, hongerende mensen, kannibalisme, het is alles terug te vinden in de gedichten die hij in de volgende jaren zal schrijven. Weer in Engeland met de wil zich daar te vestigen, voelt hij zich opnieuw opgejaagd, is bovendien bang voor tering, een ziekte waaraan veel jonge mensen toen te gronde gingen en besluit zijn land te verlaten en naar Italië te gaan.

Het zou verleidelijk zijn geweest op grond van het boek van Trelawny RECOLLECTIONS OF THE LAST DAYS OF SHELLEY AND BYRON meer details te geven over het leven van Shelley, maar Trelawny heeft zijn herinneringen vermoedelijk pas tientallen jaren na Shelleys dood opgeschreven, toen nog maar weinigen leefden die Shelley persoonlijk hadden gekend. Het boek is boeiend maar te fantasierijk.

Dankzij diepgaand onderzoek van Richard Holmes, een letterkundige van deze tijd, weten wij nu dat het beeld dat Trelawny van Shelley had gegeven in een gouden mist was gehuld. Toen Shelley in 1818 Engeland verliet en zich in Italië vestigde, verdween hij uit het gezicht van de Engelsen terwijl zijn werk nog altijd niet werd gelezen. Op het ogenblik dat er écht belangstellng voor hem ontstond, was hij al nauwelijks meer een wezen van vlees en bloed, maar kreeg hij door zijn meteoor-achtige verschijning iets weg van de luchtgeest Ariel uit De Storm van Shakespeare, terwij hij zeker ook iets heeft weggehad van het aardmonster Caliban uit datzelfde toneelstuk.

Eenmaal in Italië leidde hij een zwervend leven dat prachtig is nagegaan door Richard Holmes in FOOTSTEPS. Holmes heeft zich volledig in de raadselachtige persoon van Shelley ingeleefd en alle plaatsen aangedaan waar Shelley en zijn gezin korter of langer hebben vertoefd. Ook op zijn Italiaanse zwerftocht hield de dichter vast aan zijn revolutionaire idealen, en verwoordde hij zijn afkeer van de tyrannie. Het gedicht OZYMANDIAS, een van de mooiste sonnetten die Shelley heeft geschreven is van deze afkeer de meest welsprekende getuigenis.

Ik sprak een pelgrim uit een oud, moe land,
die zei: Twee benen zonder romp, van rots,
staan in de vlakte... Naast hen, in het zand
verzonken, ligt een stenen kop, wiens trots
en smalend oog, van ouds aan macht gewoon,
bewijst hoezeer de maker heeft bereikt
wat hij beoogde, dat uit stenen, doods,
na eeuwen nog een nors karakter kijkt.
Een opschrift op het grauwe voetstuk geeft:
'Mijn naam in Ozymandias. Ik ben groots
en koning. Ziet mijn werk, o mens, en beeft!'
Maar niets is meer te zien. Vanaf de voet
van dit gevallen koningsstandbeeld streeft
breed, eenzaam zand de einder tegemoet.

[Percy Bysshe Shelley, Ozymandias Vertaling Jaap Verduyn]