Home

Shakespeare in Nederland

door Johan Polak & Frans Goddijn
If music be the fruit of love, play on,
give me excess of it...

Geïspireerd door deze extatische regels van Shakespeare, die klinken alsof ze vandaag geschreven zijn, heeft jazz-zangeres Cleo Laine een langspeelplaat volgezongen op teksten van deze man uit de zestiende eeuw, die tegelijk de beroemdste dichter en een onbekende is.

De introductie in Nederland van het werk van William Shakespeare (zestiende eeuw) verliep volgens een geheimzinnig patroon. Bijna even geheimzinnig is de vraag wie hij was, deze man van wie twee mombakkes-achtige portretten bestaan die zo'n verschillend ge­zicht tonen, dat niemand weet hoe hij er werkelijk heeft uitgezien.

Voltaire (achttiende eeuw), een van de voormannen van de Verlichting, vond Shakespeare maar een barbaar, omdat hij zich niet hield aan de wet van eenheid van tijd, plaats en handeling. Pas in de romantiek wordt Shakespeare weer ontdekt. Vanaf de negentiende eeuw kunnen de Europese landen bijna alle bogen op een eigen Shakespeare-traditie. Nederland hád hier voorloper kunnen zijn: Constantijn Huygens (zeventiende eeuw) bezat de eerste folio-uitgave, en moet derhalve een meer dan oppervlakkige kennis hebben gehad van Shakespeare's stukken.

P.C. Hooft en Shakespeare waren jammer genoeg geen tijdgenoten. Wat zouden ze van elkaars werk heben gevonden, als ze het hadden gelezen? Beiden, grote sonnetten-dichters, hadden elkaar ongetwijfeld bewonderd. Er is echter geen spoor gevonden van beïnvloeding, al lijken de volgende passages daar tóch op te wijzen:

JULIA Wilt gij reeds gaan? Het is nog lang geen dag;
Het was de nachtegaal, de leeuwrik niet,
Wiens schelle stem in 't angstig oor u drong;
Op dien granaatboom zingt hij elke nacht;
Geloof me, lieve, 't was de nachtegaal

ROMEO Het was de leeuwrik, 's daag'raads bode, en niet
De nachtegaal; zie, lieve, daar in 't oost,
Wat booze strepen 't scheurend zwerk omzoomen;
De nacht heeft lang haar kaarsen opgebrand,
En vroolijk gluurt, hoog op de teenen staand,
De dag daar van der bergen neveltoppen.

Een prachtig voorbeeld van de kunst van dr. L.A.J.aBurgersdijk, die in de vorige eeuw alle stukken van Shakespeare vertaalde. Burgersdijk, over wie heel weinig bekend is, leefde met Shakespeare, en sprak vaak in citaten van zijn idool. Als zijn vrienden, die op visite waren gekomen, opstonden om naar huis te gaan, riep hij: "wilt gij reeds gaan? Het is nog lang geen dag!"

Plaats nu tegenover de balkonscéne uit ROMEO EN JULIA een tweespraak van P.C. Hooft:

MINNAER
Galathea siet den dagh comt aen.

GALATHEA
Neen mijn lief wilt noch wat marren
T sijn de starren,
Neen mijn lief wilt noch wat marren
t'is de maen.

MINNAER
Galathea t' is geen maneschijn

GALATHEA
Hoe t'is noch geen een geslagen
Wat soud 't dagen?
Hoe? t' is noch geen een, t' en can den dagh niet sijn.

Het thema bij zowel P.C. Hooft als Shakespeare is overeenkomstig: de gelieven zijn bang ontdekt te worden, maar wanneer de een de dag ziet aankomen, spreekt de ander de geruststellende woorden dat de dag nog niet is aangebroken, omdat de nachtegaal nog zingt (Shakespeare), dat het licht niet van de opgaande zon afkomstig kan zijn, maar van de sterren en de maan (P.C. Hooft). Het lijkt voor de hand te liggen dat P.C. Hooft ontleend zou hebbben aan Shakespeare, maar speurwerk van letterkundigen heeft geleid tot de ontdekking van een gemeenschappelijke, oude Italiaanse bron (veertiende eeuw of vroeger).

Ondanks de verschillen hebben beide verzen veel van elkaar weg, alsof er een brug is geslagen van de zestiende naar de zeventiende eeuw!

Verscheidene stukken van Shakespeare waren al in het Nederlands vertaald toen Burgersdijk aan zijn bewerking begon. Zij stonden echter grotendeels in de toonaard van de knusse huiskamerroman­tiek. Eén voorbeeld, Jacob van Lennep. De balkonscene luidt bij hem:

Mijn lief! gij wilt reeds van mij gaan?
Noch breekt in lang de dag niet aan:
't Is duister wat men ziet.
Dat lied, dat U in de ooren drong,
Het was de nachtegaal, die 't zong,
Het was de leeuwrik niet.
Geloof me! in gindsche moerbeiboom,
Daar zingt hij t'elkenmaal;
Geloof mij, liefste! en heb geen schroom,
Het was de nachtegaal.

Deze stijl van vertalen is sinds de opkomst van de beweging van Tachtig afgekraakt en belachelijk gevonden. Waarom? Dat valt niet meer te verklaren, want eigenlijk heeft ook Jacob van Lennep het er heel goed afgebracht. Het zangerige is vaardig getroffen, en er is een melodieus geheel ontstaan.

Nóg was de tijd niet aangebroken voor Shakespeare om in Nederland te worden ingeburgerd. Hoewel Burgersdijk beslist niet tot de Tachtiger beweging behoort, valt zijn opkomst als Shakespeare-­vertolker samen met het verschijnen van de eerste afleveringen van de Nieuwe Gids. Zouden beide uitbarstingen van een zo plotselinge creativiteit samenhangen met de stichting van een nieuw schooltype?

De "Hogere Burgerschool" (HBS) kreeg in de zestiger jaren van de vorige eeuw zijn beslag. De historicus Johan Huizinga heeft er op gewezen dat de generatie der Tachtigers, met Jacques Perk als voorloper, de eerste was die op school goed onderricht heeft gehad in de moderne talen. Als gevolg hiervan konden zij als jonge jongens genieten van Shakespeare, Shelley en Keats. Burgersdijk was een van de eerste docenten aan een HBS in Deventer. Een voorstelling van Othello in de Deventer sociëteit bracht hem er toe een uitgave van Shakespeare ter hand te nemen die hij al jaren in zijn boekenkast had staan. Zijn oog viel op TWELFTH NIGHT, en de toegewijde docent had een tweede levensdoel gevonden, waarvoor we hem dankbaar mogen zijn.

DRIEKONINGENAVOND, het in Engeland vrij onbekende stuk, dat Burgersdijk als eerste ter hand nam, zou in ons land de meest populaire Shakespearekomedie worden. Burgersdijk begon zijn Shakespeare-vertaling in 1877, en in 1888 verscheen zijn Nederlandse Shakespeare in twaalf delen. Al in 1879 had hij de SONNETTEN van Shakespeare in een afzonderlijke uitgave gepubliceerd. Kennelijk heeft Shakespeare van gene zijde kans gezien eminente vertalers aan te trekken, en deze te inspireren tot bijna bovenmenselijke arbeid! Er is namelijk nóg een bijzonder Nederlands voorbeeld:

Op het einde van de achttiende eeuw leefde een zekere Bruno Bernardus Brunius, van wie niemand iets af weet. Misschien was hij de zoon van een dominee, Bruinis genaamd. Door zijn schulden zou hij voor lange tijd in een Amsterdamse gevangenis zijn beland. De regent ontdekte zijn literaire gaven, en moedigde hem aan er gebruik van te maken. Brunius heeft maar een gedeelte van het werk van Shakespeare vertaald, niet meer dan zes stukken, maar, hoewel in proza, zeer goed, en getuigende van een voor die tijd onbegrijpelijk scherp inzicht in de tekst. Weerklank hebben zijn bewerkingen echter niet gevonden. Door deze onverschilligheid om hem heen zijn slechts weinig exemplaren van zijn werk overgebleven. In de achttiende eeuw was ons land niet aan een Shakespeare-vertaling toe. Dat zou meer dan een eeuw duren.

Na Burgersdijk hebben vele dichters, goede, maar ook knoeiers, zich aan vertalingen gewaagd. Gerard den Brabander bijvoorbeeld probeerde de Burgersdijk-vertaling rijmend te maken... Twee nieuwe volledige vertalingen waren onderweg. De eerste van de hand van Pé Hawinkels is niet voltooid, ten gevolge van diens zeer ontijdige dood. Hij was een van de veelbelovende hippie-figuren uit Nijmegen. Pas midden in de dertig, werd hij dood aan zijn schrijftafel aangetroffen, zijn pen nog in de hand. Voor hem een papiertje, waar op stond: "naar de dokter (totale checkup)."

De meningen over de kwaliteiten van zijn vertaling zijn verdeeld. Sommigen roemen hem als het grote talent van de jaren zeventig. Anderen laken zijn dichterlijke vrijheden, en vreemde anachronismen. De andere vertaler is Gerrit Komrij, op wiens volledige vertaling van de to­neelstukken van Shakespeare met spanning wordt gewacht. Wat er van is verschenen, is nu reeds omstreden. De een noemt het "allemaal even fris, krachtig en poëtisch", de ander vindt goudkorrels in een stroom modder". Mysterieus blijft de confrontatie van de dichters J.H. Leopold en P.C. Boutens met Shakespeare: Boutens vertaalde achtendertig van de honderdvierenvijftig sonnetten, maar zijn handschrift dat bewaard is gebleven, toont aan dat hij het voornemen heeft gehad ze alle te vertalen. Met welke reden hij zijn dichterlijke arbeid heeft opgegeven, is onbekend. Is de publikatie in 1933 van een erg mooie, volledige vertaling door Albert Verwey een te grote sta-in-de-weg gebleken?

Ten aanzien van J.H. Leopold kan gesproken worden van een mysterie: in het midden van deze eeuw waren nog mensen in leven die Leopold zelf hebben horen voorlezen uit zijn herdichting van Shakespeare's CYMBELINE. De verzen moeten, aldus een zegsvrouwe uit 1950, "hemels hebben geklonken". Niets van deze vertaling is teruggevonden, nooit heeft iemand er meer iets van gezien. Eén liedje uit CYMBELINE, verleidelijk schoon, is in Leopolds nalatenschap overgeleverd:

Hoor, hoor, de leeuwrik zingt in 't blauw
en Phoebus maakt zich op
en drenkt zijn paarden met den dauw
der kelken pereldrop;
de goudsblom met een lonkenblik
opent zijn oogenknop
met alle ding, dat kostlijk is,
o liefste mijn, sta op,
sta op! sta op!

Eén liedje bleef over. De enkele regels laten des te sterker het gemis voelen van het geheel...

Reactie per mail ontvangen

Bericht van C.W. Schoneveld