Home

Janus Secundus

door Johan Polak & Frans Goddijn
Deze heruitgave van de Kus-gedichten van Janus Secundus, een boek waar op zichzelf werkelijk dringend behoefte aan bestaat, vormt de uitkomst van een aantal gemiste kansen. Wie was hij, deze zo jong gestorven dichter? Janus Secundus [1511 - 1536] stamt uit een aanzienlijke Hollandse familie. Hij woont eerst in Den Haag, later in Mechelen en ontvangt zijn opleiding tot rechtsgeleerde in Bourges. Amper twintig jaar oud, studeert hij af in de rechten en wordt opgenomen in de hofhouding van de aartsbisschop van Toledo. Hij valt op als rechtsgeleerde en als schrijver, maar voor hij een secretariaatsfunctie kan aanvaarden aan het hof van Karel V, sterft hij op de leeftijd van vijf en twintig jaar. Algemeen wordt hij beschouwd als de grootste der neo-latijnse dichters. Poëzie in de moedertaal geschreven, werd in die jaren nog met enige argwaan bekeken.

De taal waarin de geleerden met elkaar communiceerden, was het latijn en eigenlijk hoorde in het latijn te worden gedicht, al hadden reeds eeuwen tevoren grote dichters als Dante en Petrarca met deze traditie gebroken. De neo-latijnse dichters, temidden van wie bijzondere Spaanse en Italiaanse talenten, maar ook Erasmus, gingen uit van de traditie van de gouden latiniteit: Caesar en Cicero dienden uitsluitend te worden nagevolgd door de prozaïsten, Vergilius en Horatius echter door de dichters. Vrij laat, midden vijftiende eeuw, wordt de dichter Catullus [54 voor onze jaartelling] herontdekt, tijdgenoot van Julius Caesar. Hoewel zijn verzen niet als volkomen klassiek gelden, wordt hij toch bewonderd door de neo-latijnse dichters en veelvuldig nagevolgd. Tot de grootste en beste van zijn navolgers hoort onze landgenoot Janus Secundus. De bron voor diens kus-gedichten is Catullus carmen 5:

Vivamus, mea Lesbia, atque amemus

De jonge dichter spreekt hier zijn geliefde toe en spoort haar aan om te leven en te beminnen en zich vooral geen zier aan te trekken van de praatjes van de strenge oude heren. Het leven is kort en wanneer de zon van het leven eenmaal is onder gegaan, is er geen terugkeer mogelijk. Daarom: kussen, zoveel en zo vaak mogelijk, zo vaak dat je er de tel bij kwijt raakt. Dit beroemde gedicht is talloze malen nagevolgd, het duikt telkens op in de poëzie van de renaissance, de barok, de romantiek en later. Baudelaire gewaagt in een van zijn meest zinnelijke en schitterende verzen - verboden na het rampzalig verlopen proces van 1857 tegen de veronderstelde zedeloosheid van 'Les fleurs du mal' - van het "fronsen van de strenge Plato" en spoort de (Griekse) gelieven aan er niet op te letten! Bijna zeker heeft Baudelaire bij het dichten toen carmen 5 van Catullus voor ogen gehad, voortreffelijk latinist als hij was.

De eerste officiële uitgave van de gedichten van Janus Secundus is van 1541 (Borculo, Utrecht). Deze editie geldt ook nu nog als de beste en meest betrouwbare, maar is uiteraard heel zeldzaam geworden, al wordt het boek zo nu en dan in antiquariaatscatalogi aangeboden [in 1964 voor fl 900,- in 1986 voor fl 12.000,-]. In 1969 is er een fotografische herdruk van verschenen (B. De Graaf Nieuwkoop, nog steeds verkrijgbaar). In de zeventiende eeuw verschijnt een nieuwe uitgave, verzorgd door P. Scriverius (Leiden 1619, herdrukken 1631 en 1651). In 1821 komt, ook in Leiden uitgegeven, een derde druk in omloop, verzorgd door Burmannus Secundus en Bosscha - de niet zo goede heruitgaven van de editie Scriverius buiten beschouwing gelaten. Zoals prof. J. IJsewijn in de Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur, deel VII, p. 614, laat weten: "nog geen volledige moderne editie".

Eens moet de vermaarde classicus Ulrich Von Wilamowitz-Moellendorf van een bundel tekstuele beschouwingen getiteld 'Callimacheia' [gewijd aan de Hellenistische dichter Kallimachus, wiens werk voor het grootste deel verloren is gegaan] van de hand van prof. dr. K. Kuiper, destijds een beroemd graecus in Amsterdam, in een recensie gezegd hebben: 'haud inutilis varago', wat zoveel wil zeggen als 'een niet geheel nutteloze hoop rommel'. Deze zinsnede is volstrekt van toepassing op het boek van Guépin. Voor verdere studie van het werk van Janus Secundus is het nauwelijks bruikbaar, ten hoogste om er mee te polemiseren bv. waar het de schandelijke verdachtmaking betreft rond het proefschrift van dr. A.A.M. Dekker, gewijd aan de tekstoverlevering van de neolatinist, een boek uit 1986, eveneens verschenen bij B. de Graaf Nieuwkoop, en in het buitenland hoog aangeslagen. In plaats van nu te komen met een goede tekst-editie van de Basia (Kusjes), toch het meest gelezen en nagevolgde gedeelte uit het werk van Secundus, wordt de lezer verrast door een latijnse tekst, verstoken van een kritisch apparaat, zij aan zij met een matige, berijmde vertaling van hand van de editeur.

Midden in het boek is een hoofdstuk opgenomen, gewijd aan de tekstgeschiedenis van de werken van Secundus, geschreven door de uitermate knappe Pierre Tuynman, echter zoals laconiek wordt meegedeeld, bestaande uit een "bekort en aangepast gedeelte van een onderzoeksverslag". Zelfs bekort en aangepast gaat het hier om een buitengewoon en geleerd werk, maar hoort het thuis midden in dit boek, dat verder wordt gevuld met de tekst van een groot aantal colleges ooit door Jan Pieter Guépin aan Janus Secundus gewijd? Hoofdstuk II bevat de 'omringende gedichten' vanaf Catullus 5 en 7 (een ander voorbeeld voor de neolatijnse dichter) en het hier misplaatste carmen 16, een tamelijk grof exempel van Catullus' doorgaans grootse verskunst. In deze wat arbitraire verzameling verschijnt ineens Mallarmé met het vermaarde vers op de tombe van Edgar Allan Poe. Hiervan is tegenwoordig een schitterende vertaling voorhanden, gemaakt door Paul Claes, maar Guépin heeft, ten onrechte lijkt me, de voorkeur gegeven aan een Engelse prozavertaling (feitelijk slechts een tekstverklaring voor een Amerikaanse lezeres van de Franse dichter zelf). Maar Ronsard, een van Secundus' bekendste navolgers, ontbreekt. In één exemplaar van de editie Borculo zijn nu juist de schutbladen beschreven in een renaissance-hand met gedichten van Ronsard...

Hoe zou een goede uitgave eruit gezien moeten hebben? Zulk een boek zou opgebouwd zijn uit:

1 Prolegomenna (uitgebreid voorwoord)

a Beschouwing, gewijd aan de man, de dichter en de tijd waarin hij leefde.

b Bespreking van de staat der bewaarde handschriften.

c Bibliografie der gedrukte teksten.

2 De latijnse tekst.

3 Commentaar op de tekst.

4 (desnoods) Dichterlijke vertaling.

5 Al het overige dat in Guépin's boek staat achterin als romeins genummerde exkursen.

Op deze wijze opgebouwd, zou het boek de helft van de omvang hebben verkregen en, mits aan alle eisen van de moderne filologie was voldaan, een standaardwerk zijn geworden. Nu is deze uitgave een waarlijk niet oninteressante hoop rommel met te veel Guépin en te weinig Secundus.