Home

Schrik

door Johan Polak & Frans Goddijn
Nazomer 1976, Seattle. Ik was gestrand in een groene miljoenenstad aan de Amerikaanse westkust. De schroeihete zomer die Nederland had geteisterd - eenvoudige achtertuinsproeiers werden op het platteland tegen fantasieprijzen aangeboden, wanhopige boeren spoten tegen beter weten in warm gier op hun weiden - had ook de staat Washington niet onberoerd gelaten. Tegelijk met het massale vertrek van de toeristen sloeg het weer om in regen die voor drie lange maanden als een loden schemer om de stad hing. Ik bleef in Amerika, verruilde het geplastificeerde matras in het jongenshotel YMCA voor de vochtige kelderkamer van een studentenwoning en werkte als stagiair een paar dagen per week in een klein tehuis voor criminele jonge mannen. Mijn omzwervingen door de stad waren ongericht: toeristische trekpleisters werden een voor een gesloten en duizenden stadgenoten die langs mij liepen, hadden alle een schijnbaar doel, zonder dat enig lot met het mijne leek te zijn verbonden.

Nu het seizoen gesloten is, de vrienden zijn vertrokken,
het water kil geworden, en de lege lucht,
bevochtigd van miljoenen tranen, zwijgt,
verheft Zich God in eindeloze Majesteit.

(Gerard Reve, 'gedicht voor mijn zoon R.', 1966)

Ik sliep slecht, de aanschaf van een elektrische deken bleek het vocht uit mijn slaapvertrek niet te kunnen verdrijven, terwijl het wel garant stond voor koortsdromen. Ik trok als een schoongewassen zombie door buurten, mij alle even vreemd. In de caféruimte van een filmhuis schoot een bleke man mij aan. Hij had in mij een gelijke herkend. Een verschrikkelijke zomer was zijn deel geworden - hoewel hij zijn werk als docent economie haatte, had hij de lange periode van ledigheid nog meer verwenst, zo vertrouwde hij mij toe, zwaar zuchtend. We liepen samen naar buiten en aten iets onbestemds in een helverlicht fast-food-restaurant aan een parkeerplaats. Daar vertelde hij dat hij juist die ochtend zijn nieuwe eerstejaars studenten had "verwelkomd". "I frightened the SHIT out of them!", riep hij uit, vervuld van een bitter genoegen, terwijl hij een pakje lucifers openvouwde, van het karton een spits kokertje rolde en hiermee omstandig zijn oren begon uit te lepelen.

Op reis van Amsterdam naar Arnhem, aan het begin van het academische jaar 1991, had ik het genoegen een coupé te delen met Dr. Nop Maas, docent Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Nijmegen. Maas, een groot geleerde en een buitengewoon geestig man bovendien, zou later die dag zijn eerstejaars studenten gaan toespreken. Ook hij zou de aan hem toevertrouwde kinderen die dag eens aan het schrikken maken, in dit geval met een citaat van Marcellus Emants:

"Bovendien, het studentenleven: noòit heb ik kunnen begrijpen het gezellige daarin, in dat bij elkaar zitten om te drinken, in leelijke tabaksrook... ik kàn niet tegen rook en rook ook zelf niet. In Leiden hield ik op een gezellig mensch te zijn. Ja, ik weet 't wel: bij de meeste menschen is het net anders om. Maar mij heeft het student-zijn uit 't leven gejaagd. Die duffe localen van de professoren, dat van den een naar den ander loopen door de vuiligheid en de kou', die akelige kille banken in het academiegebouw, nee! daar kon ik niet tegen. Ik heb dan ook niet afgestudeerd. Ik heb wel mijn candidaats gedaan. Maar toen stierf mijn oude heer, mijn moeder vond het niet bepaald noodig dat ik een titel haalde - en toen ben ik direct op reis gegaan, de bergen in."