Home

Saai

door FS / Johan Polak & Frans Goddijn

De beste vriendin van Freek is onlangs overleden. Aan het verwerken van zijn verdriet kwam hij aanvankelijk niet toe - eerst was hij een paar dagen druk bezet met alle treurige omhaal die de achterblijvers overvalt en daarna had het werk in zijn bedrijf zich zo hoog opgestapeld, dat hij niet aan zichzelf kon toekomen. Af en toe ontving ik korte faxberichten van hem - hij was veel onderweg en sliep, waar hij belandde, op een zelf meegebracht kampeermatje in zijn eigen slaapzak. Meer had hij niet nodig, meer kon hij niet hebben. Nu schrijft hij mij uitgebreider: -- in de treurige dagen die achter mij liggen, heb ik veel gelezen in Martin Pabst's `Taschenbuch Deutsche Straßenbahn Beiwagen' [Stuttgart 1984], waarin bijna honderdvijftig aanhangwagens en stadstrams in Duitsland worden beschreven, elk type voorzien van een zwart-wit foto en technische gegevens. De wagons zijn doorgaans gefotografeerd aan eindpunten, leeg en alleenstaand tegen de achtergrond van kale naoorlogse buitenwijken. Deze foto's werken op mij als poëzie. De intense saaiheid van de beelden schept ruimte voor het naar voren treden van details die anders onopgemerkt zouden blijven: zonlicht op een versleten houten treeplank, regenplassen op de tegels van een verlaten halte, twee huisvrouwen pratend onder een boom in een hoek van de foto. Als kind stond ik vaak bij tramhaltes te wachten in een wereld die armer was aan sier en vermaak. Daar leerde ik kijken naar nutteloze details en wende eraan mijn eigen gevoelens in kleine waarnemingen te spiegelen. Wat is er ontroerend aan een regenplas? De vereenzelviging met dingen waartussen het kind zichzelf als ding bevindt. Het beleven van de vervaging tussen zien en zijn, zoals een kind dat kan, uit verveling op een stille middag. Tijdens saaie ogenblikken breekt het vlies voor de werkelijkheid weg en vindt het kind zijn plaats als voorwerp tussen andere voorwerpen, afgerond en in rust. Ouder geworden, zoek ik die orde in tijden van spanning. Ik hervind die ervaring nu in de tram-foto's, net zoals in gedichten en hieruit is misschien mijn sterke band met poëzie te verklaren. Ik herinner mij een aforisme van Bloem: ``dichten is afleren''. En inderdaad worden zijn gedichten eenvoudiger van vorm naarmate hij ouder wordt. Voor mij worden zijn gedichten opener, ik kan erin binnentreden en erin opgaan, zonder dat iets wordt opgedrongen, zo eenvoudig zijn de woorden en de zinnen. Ik kan er mijzelf in hervinden, zoals in de mooiste, stilste namiddagen van voorheen'', aldus Freek.

Ik open 't raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatste te beminnen.

Er was in 't leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.

Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onverganklijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.

Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden,
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.

[J.C. Bloem]