Home

Robot

door Johan Polak & Frans Goddijn
De Tandy electronicawinkel waar ik werkte richtte elk najaar een speelgoedafdeling in, om een graantje mee te pikken van de hausse voor de feestdagen. De uitverkoop volgde in januari, en een maand later stonden op dezelfde schappen weer stereotorens en huiskamerantennes.

De eerste maanden van mijn dienstverband waren spannend: zou ik, als een der weinigen, in staat zijn mijn ontslag zes maanden lang uit te stellen? De meeste collega's waren jonge knapen die deze betrekking zagen als een stage, een werkervaring, de speeltuin voor een eerste baan. Al dan niet terecht kenden ze het jeugdige zelfvertrouwen, de gedachte dat ze altijd elders terecht konden. Als ze na een paar maanden niet zelf vertrokken, werden ze ontslagen, want ook de werkgever hield van vluchtige werkrelaties zonder verplichtingen. Ik verlangde echter méér: omdat ik de kost verdiende voor mijn gezin, terwijl ik de jeugd en de overmoed allang verloren had, moest ik alles op alles zetten om in het zadel te blijven zitten.

Het amerikaanse bedrijf organsieerde voor ambitieuze verkopers een rodeospel van loze beloftes en harde dreigementen: met een uitzonderlijk hoge persoonlijke omzet kon het recht op een heel kleine bonus worden verworven. De daadwerkelijke uitkering daarvan kon nog lang op zich laten wachten, en het recht, op moeizame wijze verworven, op talloze wijzen weer verloren gaan. Vanaf het hoofdkantoor belde soms een hoge chef, om deze of gene een hart onder de riem te steken: "Je kost een Godsvermogen, maar je levert niets op!" riep deze man, die op zijn beurt de hete adem van een superieur in zijn nek voelde. Als laatste dreigement werd een annonce op karton geschreven en aan de etalageruit gehangen, waarin gevraagd werd te solliciteren naar een aanstonds vacante functie van verkoper. Grote omzetten brachten misschien nooit de beloofde provisie, ze verleenden wel enig voorwaardelijk uitstel van een onver­mijdelijk ontslag.

Onder deze druk kwam ik in de verleiding spelcomputers te verkopen aan mensen die niets aan zo'n apparaat zouden hebben. Zo kwam een lief echtpaar, ouders van een zwakzinnige zoon, zich oriënteren voor de aanschaf van een kostbare homecomputer, waarmee zij hun kind een compensatie wilden bieden voor zijn geestelijke en fysieke beperkingen. Ik hoefde slechts een van de computers in de winkel aan te wijzen als de meest geschikte, en de koop zou gesloten zijn.

Ik aarzelde. Zou ik ze vertellen dat de machine, waar zovele intelligente mensen zwakzinnig van worden, nooit in staat zou zijn zich toegang te verschaffen tot de ziel van hun gehandicapte kind? Ik dacht aan mijn eigen kinderen thuis, en aan de provisie.

Later, toen de oude boemannen zelf ontslagen waren, slachtoffer van het door hen mede gedragen schrikbewind, bleek mijn positie stabieler en veranderde mijn instelling: als een gezin kwam om een race-auto te kopen dat met een zendertje bestuurd werd, demonstreerde ik de onwendbaarheid van het karretje door deze met grote snelheid tegen muren, stoelpoten en vitrines te laten botsen. Het zoontje werd er angstig van en de ouders stelden zich al het in tweeën gebroken automobiel voor, hun ontroostbare zoon en de vervallen garantie.

Op een dag kwam een vader met zijn twee dochters binnen. De oudste kreeg een walkman, de jongste wendde zich tot een robot, Robie genaamd. Deze kon enkele zinnen spreken en verstoppertje spelen, zich daarbij richtend op infraroodstraling. Het meisje verlangde zó naar deze electronische makker, dat ze zich teder aan haar vader vastklampte terwijl ik zo goed mogelijk de demonstratie verzorgde.

De vader, ontroerd door deze geboeidheid van zijn jonge kind, besefte misschien dat haar Eros zich spoedig op andere modellen zou richten. Hij wilde graag aan haar verlangen toegeven, maar de prijs was te hoog. Ik verkocht een kleine versie van Robie, het computerdwergje Robie Junior, dat minder mogelijkheden kende, maar toch, na een botsing, kon uitroepen: "HIHI, THAT TICKLES!", en, als hij vijf minuten stil moest staan: "COME ON, LETS PLAY!", waarbij hij ongeduldig heen en weer draaide. Ik beloofde namens Robie Senior contact te houden. De volgende week schreef ik haar een briefje namens Robie Senior. Hieruit ontstond een geregelde correspondentie met dat meisje, die ophield in de zomer waarin ze zou beginnen aan haar middelbare schooltijd.

Er bestaat een ontroerend verhaal van een correspondentie tussen Franz Kafka een jong meisje. Max Brod, Kafka's vriend en literaire executeur testamentair, heeft het lang geleden bij een persoonlijk bezoek aan ons verteld: tijdens een wandeling in het park trof Kafka een huilend meisje aan. Ze was haar lievelingspop kwijt. Kafka probeerde haar te troosten en vertelde dat de pop alleen maar een poosje op reis was gegaan. Hij, een bijzondere, jongensachtige verschijning, was in staat als vreemdeling in een park dit meisje te betoveren met zijn grote ogen en zijn spontane verzinsels. In de daarop volgende weken bezorgde hij het meisje telkens kleine briefjes van haar pop, waarin deze iets vertelde over haar reisavonturen.

Toen Kafka later dat jaar te ziek werd om nog te schrijven, heeft hij het meisje eenzelfde pop bezorgd als zij verloren had, met het bericht dat de pop veilig was teruggekeerd.