Home

Gerard Reve: Bezorgde ouders

door Johan Polak & Frans Goddijn

Bijna elke recensent denkt - het is gebleken uit hun besprekingen - dat Reve's nieuwe roman Bezorgde ouders zijn uitgangspunt vindt in zijn debuut, De avonden. De tekst op de achterkant van het boek, vermoedelijk door de auteur zelf geschreven, dwingt de lezer zelfs in die richting. Het is echter de vraag of Reve met deze verwijzing niet een dwaalspoor heeft uitgezet. Als de roman

Bezorgde ouders verwijst naar een vroegere roman, dan naar Werther Nieland (1951).

In beide geschriften gaat het erom de dreigende werkelijkheid onschadelijk te maken door een bezwerend ritueel. In Werther Nieland is sprake van het stichten van geheime clubs en van planten die gemarteld moeten worden. In Bezorgde ouders poogt Treger de telkens opkomende angst te verdrijven door martelfantasieën, nu gericht op jonge jongens. Het verschil met Werther Nieland is tweeledig: de wijn die zo'n overmatige plaats inneemt in de gang van het verhaal van Bezorgde ouders is in Werther Nieland afwezig, en van de openlijk bedreven solosex is in de vroege romans bijna niets te vinden.

In de zestiger jaren is Reve toegetreden tot de Rooms-Katholieke kerk, zij het dat hij altijd een wat aparte bekeerling is gebleven. Vóór zijn bekering was van de verering voor Maria geen spoor te vinden, daarna krijgt de moederfiguur een prominente plaats in het werk. Opvallend is nu de scheiding tussen goed en kwaad, tussen diegenen die de Moeder vereren, en diegenen die dat niet doen.

Reve verdeelt de mensheid in blank en zwart, katholiek en niet-katholiek, gezond en suikerziek. Het is niet opportuun in dit geval van racisme te spreken, want de schrijver ís geen racist. Op zijn hoogst zou je wensen dat hij wat meer omzichtigheid had betracht met bij aanbrengen van dit motief - blank en zwart - in zijn werk. Reve is geïntrigeerd door het verschil tussen onze beschaving en een andere beschaving die vitaler is en sterker driftgericht. Het onderscheid tussen katholiek en niet-katholiek is van eenzelfde aard: de katholieken vormen in deze fantasiewereld één familie die goed is, en elkaar herkent, de niet-katholieken zijn buitenstaanders en daardoor eerder geneigd tot het kwade. De suikerziekte die in de bezwerende zinswendingen van de schrijver veel gewicht krijgt, staat niet in verband met angst voor deze aandoening, maar met de rituele opvatting dat een zieke onrein is, en dientengevolge geen actieve of zelfs maar passieve rol kan spelen in de eredienst.

Voldoende voorbeelden hiervan zijn overgeleverd uit de oudheid en de moderne tijd. Zelfs een licht beschadigd lichaam gold in de griekse oudheid als onrein. Een gesnedene, dat wil zeggen een man die geen volledig geslachtsorgaan bezat, mocht niet deelnemen aan de eredienst in de synagoge. De Islam kent soortgelijke verboden, en voor kort kon een blinde de priesterwijding niet ontvangen.

De fixatie van Reve op het kaalworden in De avonden tóen, heeft zich nu ontwikkeld tot een obsessie. De wereld staat op het punt te vergaan, de eindstrijd is nabij, en de heilige stad Rome kan alleen verdedigd worden door de twaalf maal twaalfduizend jonge zwarten die bereid zijn de wapens op te nemen. Gekoppeld aan de voortdurend herhaalde bezweringsformules, heeft het evocatieve vermogen waarover de schrijver altijd al beschikte hem thans tot de top van zijn kunnen gevoerd. Aan de hand van twee korte passages wordt dit duidelijk.

Opgeroepen wordt de moeder, opgeroepen wordt de zoon. Bij de zoon dwingen de fantasieën van Treger de lezer onvermijdelijk in de richting van het onanistisch-sexuele. Het religieuze krijgt een uitgesproken erotisch karakter. De plechtstatige, soms bijbelse taal, naadloos afgewisseld door platvloerse sjablonen, geven deze tekst het onvergetelijke karakter. Eenmaal gelezen, laten deze het geheugen niet meer los. De beste passages uit Bezorgde ouders sluiten aan bij klassieke alinea's van Multatuli, Theo Thijssen, Nescio en het jeugdwerk van Reve zelf.

"[...]Daar viel hem een winkel op, die hij zich niet herinnerde daar eerder te hebben opgemerkt. Uit nieuwsgierigheid bleef hij ervoor staan. Het was een woonhuis, achter welks twee ramen van de gelijkvloerse verdieping men een primitieve had ingericht, die vol lag met kerstboomversieringen[...]. 'Zeker nog van vorig jaar,' dacht Treger. Was één en ander een tijdelijke onderneming van mensen die achter deze ramen woonden, en aan de donkere dagen vóór Kerstmis een paar schamele guldens hoopten over te houden? Maar hoe kwam een gewoon huisgezin tegen groothandelsprijs aan een partij van dit soort spullen? Het ergerde Treger dat hij zich, zoals zo vaak, verdiepte in iets volstrekt onbelangrijks, waarmede hij bovendien niets te maken had. En of hij wilde of niet, zijn gedachten gingen hun eigen weg, en in die gedachten was hij reeds begonnen achter beide ramen een klein drama op te bouwen. 'Die man staat met een kraam van die spullen op de markt,' zeide hij tot zichzelve, 'maar hij is van zijn vrouw weggelopen, en nu staat die vrouw er alleen voor. Er was nog wat voorraad, hier in het huis, maar die heeft hij achtergelaten, en niet meegenomen. Zo zit het.' Zoals te verwachten viel, riep deze voorstelling van zaken bij Treger een gevoel van deernis op. Ja, ze was helemaal alleen, die vrouw. Of waren er ook kinderen? Eén kind, besliste Treger. Een jongen of een meisje? 'Nee, een zoontje, een jongen,' stelde hij vast. 'Hij is vijftien, maar hij wordt zestien.' Tregers begaanheid met deze uit het niets opgeroepen tragiek deed hem nu overwegen, naar binnen te gaan om iets te kopen. 'Die jongen moet gekleed en gevoed worden, hield hij zich voor. 'En daarbij is het een moeilijke leeftijd. Een hele verantwoordelijkheid voor die vrouw.' Treger bekeek de in onbeholpen schrift met groene inkt op stukjes karton vermelde prijzen, maar niets van het uitgestalde geleek hem ook maar iets goedkoper dan elders. Hij betreurde dit, maar was er ook blij om. 'Iemand helpen, dat is heel goed,' dacht hij, maar het moet in het reële blijven.'[...] Was die vijftienjarige zoon niet verdorven? Neen, niet door de welvaart, want hij en zijn moeder waren gelukkig heel arm, maar wel door het slechte voorbeeld van zijn zich aan wangedrag overgevende leeftijdgenootjes uit welgestelde gezinnen - waar die jongen, God betere het, nog tegenop keek ook - die een slechte invloed op hem uitoefenden door het bezigen van onkuise taal, en die hem verleidden tot niet nader te noemen handelingen, die zijn geestelijk welzijn zowel als de gezondheid van zijn jonge, opgroeiende lichaam bedreigden.' Een harde hand, voor zijn eigen bestwil, die kan misschien nog iets ten goede uitrichten,' dacht Treger. 'Voor het te laat is.' Hij hoorde nu in zijn verbeelding duidelijk de klagende stem van de moeder, die hem vertelde hoe ze uit vlekken in lakens en ondergoed haar verdenking bevestigd had gevonden, volgens welke zoonlief in het geheim ontucht met zichzelve bedreef."

Het verschil met De avonden is te groot om een vergelijking te rechtvaardigen: in De avonden was de schrijver in aanraking gekomen met het milieu van de jonge gymnasiast, en zo ontstond een zucht tot rebellie tegen de burgerlijkheid van zijn ouders, terwijl de hoofdpersoon in Bezorgde ouders gedesillusioneerd is omdat het leven niet datgene heeft gebracht waar hij in zijn grootheidsfantasieën op had gehoopt. De schrijver Treger, die leeft van toneelvertalingen en een enkele publicatie, is onmiddellijk herkenbaar als de schrijver Gerard Reve. Treger is géén anagram van Egters, de hoofdpersoon van De avonden, maar moet geassocieerd worden met Tijger, de vriend van Gerard Reve, met wie hij een gelukkige en stabiele verhouding heeft gehad gedurende een deel van de zestiger en een kleiner deel van de zeventiger jaren. De lokatie van Bezorgde ouders is de Plantage, eens een deftige Joodse buurt, na de oorlog in verval geraakt.

Reve heeft daar gewoond vanaf het midden der zestiger jaren tot 1970. Het is daarom aannemelijk dat die ene winterdag waarop het verhaal zich afspeelt, valt in de decembermaand van 1969. Sinds zijn laatste succesvolle publicatie in 1968, Veertien etsen van Frans Lodwijk Pannekoek voor arbeiders verklaard (1968), was Reve in een impasse geraakt, die hij pas heeft overwonnen na het uitgeven van de bundeling Vier pleidooien (1971).

Deze impasse is belangrijk in het leven van de hoofdpersoon van Bezorgde ouders. De lezer maakt een dag mee uit het leven van de even goedmoedige als drankzuchtige Treger. Begaan met het lot van de wereld, en bezig Een zanglied voor alle mensen te schrijven, stelt hij mooie regels samen, maar als hij deze aaneen wil voegen, blijkt hij ze grotendeels niet te hebben opgeschreven, en zijn ze weer uit zijn benevelde brein weggevaagd. Als vertaler van toneelteksten verdient hij redelijk zijn brood, zodat hij met Eenhoorn, die zonder enig succes studeert, in fatsoenlijke armoede kan leven. Ook dit is een greep uit de werkelijkheid, want tijdens de impasse, waarin Gerard creatief verkeerde aan het einde van de zestiger en het begin van de zeventiger jaren, heeft hij unieke toneelvertalingen gemaakt die steeds leesbaar en prachtig speelbaar zijn gebleven. Ook zijn beste gedichten, onlangs verzameld (1987), zijn in die tijd ontstaan, zodat men zich tegelijk moet afvragen of die creatieve impasse wel zo'n grote impasse is geweest, zij het dat de schrijver die stellig als zodanig heeft ervaren.

Het hele werk van de thans 65-jarige auteur overziende, blijkt de beschreven periode achteraf bezien een gelukkige, productieve en veelbelovende tijd, een zonnige luwte in zijn middenperiode. Hierop volgde een uitbarsting van creativiteit, waardoor kort na elkaar konden verschijnen: De taal der liefde, Lieve jongens, Het lieve leven en Een circusjongen. Na de publicatie van Een circusjongen (1975) leek het erop dat Reve ondanks zijn geregelde publicaties een deel van zijn scheppingskracht had verloren.

Treger slaagt er niet in Het Zanglied te schrijven, en hij vraagt zich af waarom er in zijn samenleven met Eenhorn zo weinig tot stand komt. Eenhoorn/Tijger slaagde er nooit in af te studeren, Treger/Reve slaagde er nooit in om zijn geliefde seksueel in zijn fantasieën in te passen. Het interieur dat Treger beschrijft van de woning waarin hij met zijn koosnaampje Luipaard samenwoont met zijn vriend Eenhoorn, is het interieur dat bekend is bij Reve's oude vrienden. Het is het interieur van de vijftiger en zestiger jaren, dat spoorloos uit het leven ven Gerard Reve is verdwenen toen andere partners in dat leven hun intrede hadden gedaan. Dat interieur van die twee decennia die voorafgingen aan het schrijven van De taal der liefde was wel heel karakteristiek, en onvergetelijk voor diegenen die het hebben gezien. Het was namelijk zo armoedig dat er iets veiligs en genoegelijks vanuit ging. Goedkope en smakeloze rotzooi, veilingkistjes als meubilair. Bokking, - de zalm der armen - werd gedeeld en gezamenlijk gegeten van een krant. Oude lappen, de hemel mag weten waarvandaan, fungeerden als bedgordijn. Deze dingen maken dit boek wel tot een boek voor ingewijden. Ingewijd echter zijn niet alleen de lezers die Reve persoonlijk hebben gekend, het zijn allen die het werk van Reve van de eerste tot de laatste letter gelezen hebben.

Uit de kritieken in dag- en weekbladen is gebleken dat maar weinig critici daarop kunnen bogen. De onaangevochten erkenning van De avonden, zij het dat deze lang op zich heeft laten wachten, wordt nu gespiegeld in een vrij algemene afwijzing door de kritiek van Bezorgde ouders. Bezorgde ouders kan gesteld worden naast de scheppingen van de monologue intérieur uit de jaren voor de tweede wereldoorlog, in het bijzonder de roman Ulysses van James Joyce, ook een stadsroman die zich in één etmaal afspeelt.

De zonbeschenen luwte van zijn middenperiode ervaarde Reve als een impasse. Achteraf bleek het een stilte voor de storm, een oase van rust en voorbereiding, en een stabiele tijd in Reve's liefdesleven. Nu, met de verschijning van Bezorgde ouders, is de situatie andersom: Reve is opnieuw in een stabiele, gelukkige en productieve periode aangeland, en het boek is een hoogst artistieke klaagzang om de verloren liefde van weleer. Bezorgde ouders is een meesterwerk uit de nabloei van onze volksschrijver, die in alles verwijst naar zijn gelukkige dagen met Tijger. Gelukkig zijn ook degenen die dat zien, en ervan meegenieten.