Home

Reizen

door Johan Polak & Frans Goddijn
Naast de balie van het reisbureau vlakbij ons kantoor staat een videoscherm, waarop elk uur, elke dag opnieuw een film wordt afgedraaid. Badplaatsen worden getoond, skylines van hotels en stranden, het interieur van appartementen. Wie zou er nog een ticket komen halen?

O zoetheid van te lachen zonder mond
en zonder oogen te bezien het wereldrond!
Zit stil en reis; o zoetheid van een tocht
zonder vermoeidheid, zonder voetenwond!

[J.H. Leopold naar Afzal uit Kasjan, circa 1300]

De nieuw-griekse dichter K.P. Kavafis zag de reis als een kans voor geestelijke groei. Hij ried aan langzaam en bewust te reizen, je niet te laten afschrikken door gevaar, maar te genieten en rond te kijken.

Louis Couperus bezat nog de kalmte die het reizen vereist. Zijn reisverhalen dragen een zweem van noodlot, alsof hij, de bereisde, toch op zag tegen het verlaten van zijn huis. Hij beschrijft een jonge indische nederlander, die voor het eerst Dresden bezoekt. De jongen wil naar de uitvoering van een Wagner-muziekdrama en koopt bij een griezelig uitziende opticiën, snavelgebekt, een te zware kijker om niets van de voorstelling te missen. Maar hij mist veel, want hij raakt geobsedeerd door de dwanggedachte de kijker naar beneden te smijten -hij zit balkon- de zaal in, op de glimmende schedel van een kale man. Hij gaat zich onwel voelen, tot hij de kijker achterlaat en schielijk van zijn zitplaats opstapt. Staande in het gangpad, zonder kijker, volgt hij de muziek en geniet, maar besluit nooit meer zo hoog te gaan zitten met zulk een zware kijker voor zich. Vijf jaar later is hij weer in Dresden en opnieuw heeft hij lust hetzelfde muziekdrama te beluisteren. De voorstelling is echter uitverkocht, maar een onaangenaam ogende man, zelf plotseling verhinderd, biedt hem zijn plaats aan. Waar heeft hij die vogelkop eerder gezien? Terwijl hij iets te laat zijn zitplaats inneemt, biedt de ouvreuse hem een toneelkijker te huur aan, één mark slechts voor een avond. Hij huurt zijn eigen kijker, herkent deze, en kan aan zijn opwelling nu niet langer weerstand bieden. Hij smijt de binocle op het kale hoofd dat hem van de zaal beneden voor de tweede maal uitnodigend toeglimt. Het noodlot is met de jongeman meegereisd.

Couperus' iets oudere tijdgenoot J.-K. Huysmans beschrijft een niet gemaakte reis. De een beetje afgeleefde edelman Des Esseintes vindt dat hij er eens uit moet en besluit zijn gerieflijke woning in de omgeving van Parijs te verlaten voor een korte reis naar Londen. In een café, engelse stijl, een franse pub, wacht hij de trein af die hem naar de haven zal brengen. De regen gutst neer, het Parijse weer heeft zich al aan het verwachte engelse klimaat aangepast. Gezeten in de gelagkamer met engelse port, engels vruchtengebak en een stevig stuk Stilton-kaas soest Des Esseintes weg. Hij heeft nog net tijd een kaartje te nemen en zijn bagage aan te geven. Maar tegenzin overvalt hem, hij gelast de reis af en in een koets thuisgekeerd, laadt hij zijn bagage uit, moe maar voldaan alsof hij van de lange reis was teruggekomen. Deze beschrijving hoort tot de beroemdste ooit gemaakt. Zelfs Piere Louys, aartsvijand van Huysmans, kon niet nalaten van zijn bewondering te getuigen: "c'est fort, c'est bien fort!"