Home

Christoph Ransmayr, De Laatste Wereld

door Johan Polak & Frans Goddijn
Christoph Ransmayr

De Laatste Wereld,
vert. Ronald Jonkers
Bert Bakker,
Amsterdam 1989

Keizer Augustus was in de letteren geïnteresseerd. Hij rekende Vergilius en Horatius tot zijn naaste vrienden. Herinnerd wordt hij echter ook als de machthebber die Ovidius, de laatste der grote dichters van de romeinse glorie-eeuw, heeft weggezonden naar Tomi, een gehucht in een van de meest onherbergzame streken van het romeinse rijk. De dichter van de dartele liefdesverzen en van de METAMORFOSEN zou de rest van zijn leven slijten in deze uithoek, schrijvende aan zijn TRISTIA en zijn BRIEVEN VAN DE ZWARTE ZEE. In het jaar 8 van onze jaartelling werd Ovidius gedwongen uit Rome te vertrekken en tien jaar later is hij in Tomi overleden.

Waarom werd Publius Ovidius Naso het verblijf in Rome ontzegd? Vermoedelijk wegens majesteitsschennis, een term die alles omvatte wat de staat onwelgevallig was. Ovidius moest gaan wonen op een door de keizer aangewezen plek en zijn werken werden uit de openbare bibliotheken verwijderd. Tegen particulier bezit ervan werd niet opgetreden.

Christoph Ransmayr, na een begin als zelfstandig auteur in 1982 betrekkelijk onopgemerkt gebleven, is nu, dankzij zijn sombere, bijna vertwijfelde roman DE LAATSTE WERELD in de volle aandacht.

De schaarse gegevens omtrent Ovidius heeft hij in grote artistieke vrijheid gebruikt. Ransmayr roept een eigen Tomi in leven, waarin waarheid en verzinsel worden herschapen tot een reeks betoverende beelden. Vanaf de eerste bladzij wordt de lezer meegesleept in de krachtige stroom van zijn woorden, die ook in de voorbeeldige vertaling evenveel beklemming als verbazing wekken: "Een orkaan, dat was een zwerm vogels boven in de donkere nacht, een witte zwerm die suizend naderbij kwam en ineens nog slechts de kam van een geweldige golf was (...) maar de deining tilde hem op, tilde het schip op, tilde de hele wereld hoog boven het zilte schuim van de route uit, hield alles een harteklop lang zwevend en liet vervolgens de wereld, het schip en de uitgeputten weer in een golfdal terugzinken, terug in waakzaamheid en angst."

Aan het eind van het jaar 18 van onze jaartelling, tien jaar na het vertrek van de dichter uit Rome, komt in de stad het bericht binnen dat Naso dood is. De romeinse burger Cotta die van Ovidius uit Tomi enkele brieven had ontvangen, besluit zelf naar de kleine havenstad te reizen om meer te weten te komen over diens lot. De bewoners van Tomi waren allen op hun eigen manier aangespoeld en schijnbaar uit het niets naar dit dorp toegedreven. "Wie aan deze kust leefde, die leefde en stierf in het verborgene, als een pissebed onder stenen."

Rome is voor Ransmayr niet het regeringscentrum aan het begin van onze jaartelling. Het is verworden tot het middelpunt van een totalitaire staat die beschikt over een deel van de technische verworvenheden van deze eeuw. Geen science fiction, eerder het omgekeerde: "wie oud geworen is in déze eeuw / draagt in zijn denken vele eeuwen mee." [Ida Gerhardt]

Ransmayr verklaart de toorn van de keizer jegens Ovidius als volgt: de titel van het BOEK DER VERANDERINGEN (Metamorfosen) zou beledigend zijn geweest voor het keizerrijk, waar alles volmaakt was en niets meer kon veranderen. Bovendien had Ovidius het gewaagd, als gastredenaar bij de opening van een stadion, zijn toespraak te beginnen zonder de verplichte vleierij jegens de keizer. "Hij vergat zichzelf en zijn geluk, trad zonder de minste buiging voor de microfoons en zei slechts: burgers van Rome."

Cotta onderneemt de barre tocht op het schip TRIVIA --- ongetwijfeld een toespeling op de verzenbundel TRISTIA --- maakt dezelfde verschrikkingen door als tevoren de dichter en komt meer dood dan levend in Tomi aan. De mensen daar willen hem niets vertellen omdat ze hem wantrouwen. Pas geleidelijk aan dringt het tot hem door dat Ovidius woonde in een huis op de rotsen, enige uren gaans van Tomi, eenzaam en misschien geholpen door een oude knecht Pythagoras die als alle anderen ooit in Tomi was aangespoeld. Ransmayr houdt de lezer het hele verhaal door in het ongewisse of Pythagoras werkelijk de knecht van Ovidius is geweest. Na een tocht over de besneeuwde rotsen bereikt Cotta de hut waar Ovidius gewoond zou hebben, maar treft er alleen Pythagoras aan. De onophoudelijk pratende zonderling "klapte zelfs eenmaal in zijn handen en prees het wonder van de zielsverhuizing".

Aanvankelijk wordt Cotta niets wijzer uit de stortvloed aan woorden, onderbroken door giechelbuien en scheldpartijen. "Er leek geen weg te voeren naar het rijk van deze oude man". Later blijkt dat Pythagoras in de woorden van de dichter zijn eigen gedachten herkende en niets anders deed dan elk door Ovidius uitgesproken woord en ook de namen van de mensen in Tomi opschrijven : op tafels en muren, op willekeurige lapjes stof en op stenen, om ze zo vast te leggen.

Zijn pogingen blijken vergeefs: de lapjes stof verteren, maar ook de stenen zullen teloor gaan. Pythagoras is niet de enige die de overlevering van de woorden van de dichter als levensdoel heeft gekozen: in het dorp woont een doofstomme weefster, die al haar tijd besteedt aan het uitbeelden van de verhalen die Ovidius haar had verteld. Een van haar werkstukken is een wandkleed met de afbeelding van de val van Icarus. Zij heeft net als de anderen een eigen wereld van beelden gevormd uit de verhalen die ze van Ovidius' lippen had gelezen. Ook haar werk gaat ten onder: het rot weg in het vochtige huis of verstoft als wandkleed in woningen van anderen.

Twee vrouwen spelen een sleutelrol in Cotta's zoektocht naar zijn dichter: in een stofwolk ontmoet hij Echo, een mooie vrouw met een afzichtelijke huidziekte die als een paria buiten het dorp woont en doorgaans slechts de woorden herhaalt die tot haar gesproken worden. Tegen Cotta, de man uit Rome, begint ze echter te vertellen over de verhalen die Ovidius zag in de as van het vuur. Weer een andere wereld: nu zijn het uitsluitend vertellingen over stenen. De wandelingen met haar zijn hartverscheurende momenten. Twee geschonden mensen voelen zich bijna lotgenoten, maar zijn niet in staat tot liefde. Echo verdwijnt nadat ze Cotta het laatste verhaal over de ondergang van de wereld en de daarop volgende heerschappij van levende stenen heeft verteld.

Een tweede vrouw komt uit de mist tevoorschijn en luidt de vernietiging in van Cotta's laatste wereld: de schoonzuster van de slager, door deze verkracht en verminkt, die doodgewaand als een beest door de bergen had gezworven, is door steenlawines en aardbevingen teruggedreven naar de havenstad. Als vergelding doden zij en haar zuster de jonge zoon van de slager in zijn slaap. Wanneer de uitzinnige vader, op wraak belust, met zijn slachtbijl door het stille dorp trekt, nemen Ovidius' woorden gestalte aan: de slager verandert, als hij de bijl heft om op zijn beurt te moorden, in een vogel die achter zijn eveneens tot vogels geworden prooi het raam uitvliegt.

Cotta was ter ore gekomen dat de ongenaakbare macht had overwogen Ovidius te begenadigen. Nu hij dood was, dacht men zelfs over een staatsbegrafenis. "Wanneer werkelijk iedereen, zelfs de terroristen uit de catacomben, deze dichter voor zijn doel kon inzetten, waarom dan niet ook, en waarom dan niet bij uitstek, het wetsgetrouwe Rome?" Nog steeds hoopte Cotta Ovidius in persoon, of zijn graf, eerder te vinden dan de van staatswege uitgezonden romeinse speurhonden. Daarom begeeft Cotta zich voor de tweede maal op de moeizame weg naar Trachila.

De opgang over de rotsen naar Ovidius' vermeende huis leidt de lezer onmiddellijk naar het hoogtepunt van Ransmayrs boek. Op zeker ogenblik meent Cotta de dichter zelfs te herkennen. "Onttrokken aan het zilveren licht van de heuvels, leunend op een stenen kegel als tegen een lessenaar en met een arm in een achteloos gebaar geheven, stond Naso, de dichter van Rome." Alles blijkt niet meer dan een stuk steen en een gevelde den. Hier is Ransmayr grandioos en de lezer vraagt zich af wat het daarna nog moet worden. Het dorp Tomi is verdwenen: de ondergangsfantasieën van Ovidius zijn werkelijkheid geworden.

Zoals Ovidius, zal ook Cotta Rome niet terug zien. Hij zwerft door Trachila, zoekt tussen de door Pythagoras beschreven lapjes naar zijn eigen naam. "Het zou beslist een smal vaantje zijn --- want het hoefde niet meer dan twee lettergrepen te dragen". Zo eindigt het boek, de lezer even desolaat achterlatend als de arme Cotta.