Home

Purifijn

door Johan Polak & Frans Goddijn

"Hallo Johan!", klinkt het met lichte spot in zijn stem. Mijn oude vriend Rob van Gennep heeft enkele anecdotes, die ik hem dertig jaar geleden vertelde, in de krant gelezen. "En wanneer schrijf je over de Purifijn?"

In de vroege vijftiger jaren was het tekort aan leraren oude talen dermate nijpend, dat ik de kans kreeg, als tweedejaars student, voor de klas te staan. Onbekwame en ordeloze student die ik was, toog ik iedere dag toch opgewekt naar school, mij verheugend op het contact met de vaak balorige, maar wel slagvaardige kameraadjes in de klas. Leerlingen hebben onmiddellijk door of hun leraar uit wanhoop of uit behaagzucht wat in de ruimte zwamt, dan wel zijn stof beheerst en er plezier in heeft zijn (weinige) kennis over te dragen. Van één maandelijks ritueel had ik een afkeer: de leraarsvergadering.

Een uur lang was het gezellig, enkele nieuwtjes en vele roddels werden uitgewisseld op een half-luide toon van vertrouwelijkheid, zodat iedereen het kon horen. Daarna duurde en duurde het maar. De vergaderingen werden slecht geleid, zodat tijdens het oeverloos geleuter van lieverlede persoonlijke rancunes opkwamen. Een keer was de middag gewijd aan de Daltonkaart. Deze kaart gaf leerlingen het voorrecht om op vastgestelde uren in vrijheid te werken. Ook deze vergadering liep uit, de avond was al ingevallen. Buiten de leraarskamer heerste in het schoolgebouw stilte en duisternis, op straat viel geruisloos een dik pak sneeuw. Binnen werd gedelibereerd over de voorwaarden waarop de Daltonkaart voor straf kon worden "ingenomen". Men kwam er niet uit en ik verveelde mij dusdanig, dat ik, eigenwijs, het woord nam: "Meneer de rector", vroeg ik, "wenst U dat de kaarten zullen worden "ingenomen" met melk of met sinaasappelsap?" De lerares handenarbeid, die graag veel, lang en plechtig sprak, zei onmiddellijk "Gij zijt een purifijn!" De juffrouw bedoelde misschien 'puritein' of 'libertijn', wellicht 'purist'. Was het nu een compliment of een reprimande? Ook dertig jaar geleden kon Van Gennep het mij niet zeggen.

EINDVERGADERING Terrarium. Verwaarloosd en geronnen
een gruwzaam leven in de dorre spleten;
het kruipen van de tijd heeft niets gewonnen
voor wie van moeheid niet te sterven weten.

De groene wanden zijn met slijm besponnen.
Er is geen water. Geen weet hoe zij heten.
Vertraagd zit een zijn eigen poot te vreten.
Twee zijn voorzichtig aan elkaar begonnen.

Genade, God - o, laat mij toch ontwaken!
Verschrikkelijk is het rond dit groene laken.
'Wij gaan thans over tot de derde klas.'

Sigaren staan in scharen en in kaken.
Aanzie toch, wat wij van elkander maken!
Suf hokt de ziel in een verdord karkas.

[Ida Gerhardt]