Home

Puren

door Johan Polak & Frans Goddijn
Er bestaan passages in boeken, die me altijd bijblijven en me telkens opnieuw in een vrolijke stemming brengen, waaneer ik ze tegenkom. Een boek dat overvloeit van mooie zinnen is de beroemde dissertatie van Karel Reijnders `Couperus bij van Deyssel'. In een kleine kring van zeer, misschien tè zeer belezen literati, werd het werk een cultboek. Ingewijden behoeven slechts één woord uit Reijnders' meesterwerk te laten vallen, om opnieuw in een schaterlach uit te barsten. Het woord `puren' bijvoorbeeld. Toen Lodewijk van Deyssel zestig jaar werd, zou hij worden gehuldigd in een van de Koninklijke Kunstzalen Kleykamp te `s Gravenhage.

Een van de feestgangers, de schrijver Maurits Wagenvoort, schreef in een felicitatiebrief bescheiden: ``....Maar dat U al dadelijk bij het begin van mijn loopbaan als schrijver mijn verdienste heeft willen erkennen, en dat Louis Couperus mijn roman `Maria van Magdala' tot de beste historische romans rekende, die hij ooit had gelezen: door deze twee grooten in mijn loopbaan erkend te zijn geworden is mij steeds een ruggesteun geweest tegenover de hartelooze onverschilligheid, die ik van hun minderen heb ondervonden.'' In een voetnoot schrijft Karel Reijnders: ``De briefschrijver zal hier doelen op de volgende zinsnede van Couperus: ``Maurits Wagenvoort, beste lezer, is niet alleen de schrijver van dat te weinig gewaardeerde en (voor mij) nog niet door hem overtroffen, allermooiste boek, Maria van Magdala: hij is ook een charmant optimist''. Even subtiel als bijtend voegt Reijnders hieraan toe ``waaruit Wagenvoort zelf dan nog meer lof heeft gepuurd dan erin staat.''

Pas vandaag ontdekte ik de passage waaraan Karel Reijnders misschien heeft gedacht bij het concipiëren van zijn meesterlijke zinsnede.

Ik besloot vanochtend naar het station te gaan, om mijn maat op te wachten, die doorgaans met de luxe trein van elf uur uit Amsterdam vertrekt om tegen twaalven aan te komen op spoor drie. In de kiosk zocht ik naar iets om te lezen, in het halve uur dat ik over had. Geen kranten. Een dubbeldik pakket van twee computermagazines voor de prijs van één lokte wel, maar ik zag op tegen alle advertentietabellen met concurrerende prijzen, die ik ongetwijfeld veel te langdurig zou vergelijken. Ik greep een goedkope pocket-uitgave van Simon Vestdijk's roman `Op afbetaling'. Ooit las ik, met grote gretigheid en in telkens groeiende idolatrie alle Vestdijks die ik maar kon vinden. Na `De kellner en de levenden' echter wist ineens geen werk van hem mij meer te bekoren. `Op afbetaling' was derhalve nieuw voor mij. Prachtige zinnen:

``Was het erg warm, dan kwamen ze allemaal buiten zitten, in hemdsmouwen, alsof zij bier lustten" (.....) ``De hoeken van de brug waren bezet met standbeelden, hoogmoedig en onbehouwen.''

De hoofdpersoon komt stilletjes thuis en betrapt zijn superieur met zijn vrouw ``en flagrant dans le lit (....) Er was een wereld teloorgegaan, hij was een andere wereld binnengestapt, over een afgrond heen van nog geen centimeter: de breedte van een voeg tussen twee straatstenen.'' Hij zwijgt, en in plaats van bloed te willen zien, bezorgt hij zijn vrouw een halve kar vol uitgebloeide bloementuilen, schenkt zichzelf een stevige borrel in en maakt gewaagde toespelingen, tot hij bedenkt: ``...maar ik moet nu niet verder gaan, niet méér uit die bloemen willen puren dan erin zit.''

Ik voelde mij, op dat perron, de koning te rijk, nu ik in deze zin uit 1952 een oude, sinds lang bewonderde vriend herkende! Toen rolde de luxe intercity binnen... zonder mijn maat.