Home

James Purdy, Garments The Living Wear

door Johan Polak & Frans Goddijn
english translation below
GARMENTS THE LIVING WEAR is een boek dat dronken maakt. De fantasieën van James Purdy zijn onnavolgbaar en de lezer die probeert greep te krijgen op het verhaal door middel van vergelijkingen met andere boeken die hij kent, is er van

verzekerd dat hij ongemerkt zal verdwalen tussen de betoverende beelden en de haast onwaarschijnlijke dialogen. Het boek is onlangs verschenen en reeds werd een nederlandse vertaling ervan aangekondigd.

Dat is het vreemde: James Purdy geniet in zijn eigen grote land geen erkenning. Maar terwijl in New York voorname boekhandels zijn titels niet voeren omdat er "geen vraag naar zou bestaan", heeft de amerikaanse boekwinkel in Amsterdam verscheidene romans en verhalenbundels van Purdy in voorraad. Zoals hij zelf lachende, maar met een wanhopig armgebaar, pleegt te zeggen: "de kritiek is voor mij heel onrechtvaardig geweest."

Purdy debuteerde aan het einde van de vijftiger jaren. De eerste verhalen die hij aan de toen leidinggevende tijdschriften toezond, kwamen onvermijdelijk

retour met het advies eens naar de psychiater te gaan. Overigens blijft aangaande Purdy's loopbaan als schrijver veel onopgehelderd. Hij heeft alle persoonsbekendheid stelselmatig vermeden. Lange tijd was er geen portret van hem verkrijgbaar en wist men niet hoe oud hij eigenlijk was, noch of hij blank was

of zwart...

In Nederland daarentegen is zijn werk in kleine kring meteen aangeslagen. Zo genieten insiders van een goed bewaard geheim: James Purdy. De schrijver geniet op zijn beurt van de kleine schare nederlandse bewonderaars, en hij is altijd genegen er een te ontvangen, wanneer die zich op bedevaart bij hem aandient. Wat méér is, Purdy beweert, dat de bewondering in Nederland resonans heeft gevonden in het Manhattan, tengevolge waarvan ook dáár een cercle is ontstaan, die tegen hoge prijs alle uitgaven van de schrijver wil bezitten, ook de nederlandse.

Een hoofdstuk van GARMENTS was zelfs als voorpublicatie opgenomen in DIT VERVAL, een door Ron Mooser bijeengebrachte verzameling verhalen over AIDS, vorig jaar verschenen bij uitgeverij DE WOELRAT. De nederlandse lezer kreeg daardoor als enige in de wereld de kans om Purdy's manier van werken te volgen, want het

hoofdstuk is later ingrijpend gewijzigd.

Zoals in veel van Purdy's romans, is de hoofdpersoon een jongeman van betoverende schoonheid. Ditmaal heet hij Jared Wakeman, een regisseur die leeft voor het theater, bezeten van het verlangen om ooit een eigen schouwburg te hebben. Bij dit streven maakt hij zonder enige aarzeling gebruik van zijn aantrekkelijkheid en de bescherming die rijke vrienden hem kunnen bieden.

Aanvankelijk is Peg Sawbridge zijn beschermvrouwe, een steenrijke weduwe die met

haar dochter woont in een New Yorks appartement van vijftig kamers. Alle vertrekken zijn volgestouwd met de meest uitzonderlijke kunstvoorwerpen die een onschatbare waarde vertegenwoordigen. Pegs vermogen groeit daardoor onstuitbaar en zij waarschuwt haar dochter dat zij zich "met elke ademhaling levend dieper in de winst begraven." In absurde dialogen, die Purdy, naar eigen zeggen, uit het dagelijks leven in New York put door een cassetterecorder aan te zetten wanneer hij gesprekken hoort, ontvouwt zich een wereld die op cynische wijze

de sterkste verhalen van de soap-opera in de schaduw stelt.

Onvoorstelbare liaisons, verborgen afstamming, erfenissen en onterving, bizarre erotiek en de scherpste contrasten tussen super-rijk en doodarm. Peg, eens als een berooid weeskind uit de besneeuwde goten van Chicago gered, is onverwachts armer dan ooit, en ze waarschuwt haar dochter opnieuw, maar nu in omgekeerde zin, dat zelfs waneer het goud dagenlang zonder ophouden van de daksparren van hun huis zou neerregenen, dat nóg onvoldoende zou zijn om alle schulden af te betalen.

Dreigender dan deze geldzorgen, is de ene dreiging die boven New York hangt: AIDS, door de schrijver nooit met die naam genoemd maar altijd aangeduid met de Pest. "Mr. Hennings, in ons theater verliezen wij bijna om de dag iemand aan de Pest. Daar gaat onze hoofdrol, om maar iemand te noemen, er ook aan dood. Of onze ongekunstelde --- hoe konden wij weten dat zij aan de spuit was --- wij vonden haar stijf als een pook aan haar toilettafel, een oog dicht, het andere beschuldigend en bliksemend van afschuw." Wakeman is het middelpunt van ieders affectie, maar hij geeft geen liefde terug, alsof hij afgesloten is voor gevoelens die op hem gericht worden en niet in staat die gevoelens te beantwoorden. Toch is hij niet gevoelloos, want hij raakt in paniek op het ogenblik dat hij ontdekt dat zijn vriend is aangstoken door de pest. In zijn

angst beseft hij dat hij tóch van iemand houdt: van zijn vriend Desmond Cantrell.

Op zoek naar diens genezing, breekt hij in bij een klooster om een oude minnaar te spreken die nu geestelijke is. Die nacht bidden zij samen en in de metro terug krijgt Wakeman een verschijning: "toen merkte hij dat Jezus hem aankeek

door het gevlekte en gebarsten raam van de trein. De verlosser zag eruit als een jonge zwerver van vandaag. Hij riep Jared bij zijn naam." Als tegenhanger van deze verschijning spookt door de roman een raadselachtige, stokoude man heen, die alle touwtjes in handen heeft, genaamd Edward Hennings. Hij is fabelachtig rijk, bezit huizen in vele wereldsteden, waar hij even gezien is als het staatshoofd. Hij is juist uit Cuba gekomen met zijn jonge bruid, de androgyne Estrellita. "They say that he --- Fidel --- was at the nuptials".

"NOW, FAIR HIPPOLITA, OUR NUPTIAL HOUR DRAWS ON APACE" (Midzomernachtsdroom).

Dezelfde sprookjesachtige sfeer die het blijspel van Shakespeare doortrekt, beheerst de toneelmatige roman van Purdy. Hennings --- "ik krijg wat voor

elkaar, terwijl anderen alleen maar plannen maken en dromen" --- heeft, naar zijn zeggen, New York nog als schone, welvarende stad gekend en fulmineert tegen de vervallen staat van deze "teren tunnel". De grote stad is verloren, halfbloeden regeren, de burgemeester is een hysterische nachtclub-artiest, bijgestaan door schurken van alle gezindten, meisjes krijgen op tienjarige leeftijd hun eerste kind en babies worden met condoom geboren, niemand heeft werk, niemand kan lezen of rekenen, en de clitoris heeft de mannelijkheid als symbool verdrongen.

Het lijkt alsof de Pest staat voor dit verval. Wanneer Desmond Cantrell sterft,

treft Hennings juist voorbereidingen voor zijn genezing. Een dronken patholoog-anatoom, inderhaast ontboden, constateert de dood, maar de duivelse Hennings weet Desmond weer tot leven te wekken door middel van een ritueel, kruiden en diepe messteken. Desmond ontwaakt, huilt als een pasgeboren kind, laat een wind en leeft weer op, zij het dat zijn vrienden het gevoel bekruipt dat zijn ziel aan gene zijde is achtergebleven.

Desmond is een lege huls geworden. In ruil voor deze dienst eist Hennings het bezit op van Wakeman. De wonderschone jongeling zal voortaan alleen hem

toebehoren, zijn redder en beschermer. Ook Peg blijft behouden. Haar schulden worden voldaan, maar niet voordat zij een door Hennings opgesteld manifest heeft ondertekend, waarmee zij, zonder het te beseffen, haar eigen sexe belachelijk maakt en zich met huid en haar overlevert aan een andere reactionaire rijkaard.

Alsof het niet genoeg was, verschijnt vanuit het niets een tweede verlosser op het toneel, Jonas Hackluyt, de prediker met zijn grote schare volgelingen. Allen zijn, zoals hijzelf, aangetast door de Pest.

Vanaf het balkon van Peg Sawbridges flat spreekt hij zijn volgelingen toe. Hij roept uit dat hij geen mens is van vlees en bloed, maar een verterend vuur. En inderdaad, als hem een mantel wordt aangereikt, gaat hij in vlammen op zoals eens Hercules door een inwendig vuur werd verteerd nadat hij een vergiftig hemd had aangetroken. Zijn volgelingen blijven in opperste verwarring achter. Ook Hennings neemt afscheid. De winter nadert, en zoals dat de tijd is voor zwaluwen om naar het zuiden te trekken, en voor sprinkhanen om te sterven en hun lege

huls achter te laten, vertrekt ook Hennings. Hij groet zijn beschermelingen, die weten dat zij hun weldoener nooit zullen terugzien. Wanneer Jared Wakeman eindelijk de enveloppe openmaakt waaruit blijkt dat hij als erflater begiftigd is met twee theaters, ligt Edward Hennings al een maand op Cuba begraven.

Eindelijk heeft Wakeman zijn theater, twee zelfs, op de beste plek van de stad, maar het verwachte gevoel van bevrijding, triomf en geluk blijft uit. Zijn theaters zullen zonder Hennings als man achter de schermen lijken op een lege kerk. Bij Gérard de Nerval roept Christus: "de god ontbreekt bij 't altaar waar ik word geslacht..."

Het boek van James Purdy is ineens uit, het doek daalt neer. "Over zo'n persoonlijk verdriet valt niets te zeggen. Je wacht tot het licht aangaat en reikt dan naar je hoed." (uit Purdy's KLEUR VAN DUISTERNIS)

Garments the Living Wear is a book that makes you feel intoxicated. The unsuspecting reader who attempts to make comparisons with other books he has read, is bound to get lost in James Purdy's bewitching images and the most unlikely dialogue. The book has recently been published and a Dutch translation has already been announced. This in itself is strange, since James Purdy is virtually unknown in his own country and although prominent New York bookstores don't carry his works because "there's no demand for them", an American bookstore in Amsterdam has a respectable collection of his novels and stories in stock. With a smile and desperate gesticulation, Purdy himself dismisses this attitude, "...my reviewers have been most unfair to me!" Purdy made his début in the late fifties and his first submissions to the leading publications at that time, were returned with the advice to consult a psychiatrist! Anyway, the progress of Purdy's career as a writer remains obscure, because he has systematically avoided all publicity. In fact, his photograph wasn't available until quite recently and one didn't even know his age or whether he is black or white... On the other hand, in The Netherlands his work instantly acquired recognition, albeit within an exclusive readership. Now a small circle of insiders can share a well kept secret: James Purdy. The writer on his part appreciates the interest shown by his Dutch admirers and he is always pleased to receive one of those who care to make the pilgrimage to his residence. As consequence, even in Manhattan a small circle of admirers has evolved who collect every single item of Purdy's works and are willing to pay high prices to acquire them. A pre-publication chapter from Garments was actually included in a compilation of stories connected with AIDS, "Dit Verval" (This Decline) by the Dutch editor Ron Mooser, published in The Netherlands, by De Woelrat. Through this work, the Dutch reader had the world exclusive privilege of making acquaintance with Purdy's work in progress, because soon afterwards, the relevant chapter was drastically revised. As in many of Purdy's novels, the main character is a young man of enchanting beauty. In this novel it is Jared Wakeman, a director who lives for the theatre, obsessed with the desire to one day possess his own theatre. In his attempts to achieve this goal, he exploits his attractiveness and the protection that his rich friends have to offer, without hesitation. Initially, the aging Peg Sawbridge is his benefactor - a wealthy widow who lives with her daughter in a fifty room New York apartment. All the rooms are packed with extraordinary and priceless works of art. Peg's fortune grows to such an extent that it is unstoppable and she warns her daughter that "...we are so rich, Cleo darling, that with each breath we draw, we are buried a little more alive in gain." Using extraordinary dialogue, which on his own admission Purdy picks up with a cassette recorder in New York, a near fantasy world unfolds which in its own cynical way, even puts the far-fetched storylines of TV soap-operas in the shade. Unimaginable liaisons, hidden ancestries, inheritances and disinheritances, bizarre eroticism and the sharpest contrasts between millionaires and the penniless. Peg, once a destitute orphan, rescued from the snowy gutters of Chicago, is unexpectedly just about bankrupt and she warns her daughter once again, but now in the opposite sense, that "...if gold were to fall from the rafters of our home here for days on end without stopping, it would not quite pay off all mother's debts". More threatening than these financial worries, is the one threat that hangs over New York: AIDS - never mentioned by name, but always designated as "the Pest". "Mr. Hennings, almost every other matinee we lose someone to the Pest. There goes our leading man, for instance, dead of it. Or our ingenue - how did we know she used the needle - we found her stiff as a poker by her dressing table, one eye closed, the other accusatory and fulminating with horror." Wakeman is the centre of everyone's affection, but he doesn't love in return, as if he is insensitive to the feelings which are directed towards him, and unable to requite them. Still, he isn't entirely without feeling, because he panics when he realizes that his friend has been contaminated by the Pest. Through his panic he realizes that he is capable of loving someone - his friend Desmond Cantrell. Searching for his cure, he breaks into a monastery to speak to an old lover who has now taken religious orders. That night, they pray together and in the subway returning home, Wakeman experiences a hallucination: "...then he saw looking in at him from the stained, cracked window of the train, Jesus himself. He looked like any young drifter of today. He called Jared by name." As a counterpart to this vision, a mysterious old man named Edward Hennings, haunts the novel, pulling all the strings. He is fabulously rich, owns houses in many of the worlds capital cities where he is regarded with the same esteem as the head of a state. He has just arrived from Cuba with his young bride, the androgynous Estrellita. "...they say that 'he' - Fidel - was at the nuptials". The same fairy-tale like atmosphere of Shakespeare's A Midsummernight's Dream dominates Purdy's theatrical novel. "Now fair Hippolita, our nuptial hour draws on apace". Hennings - "I get things done, while others merely make plans and dream dreams" - says he remembers New York as a clean, prosperous city and expresses his furious indignation at the decayed state of this present-day tunnel of tar. "...the great city is finished, the half-breeds rule, the mayor is a hysterical night- club entertainer, flanked by crooks of every persuasion, girls become mothers at ten and babies are forced to wear condoms at birth, no one works or can read or add, the clitoris has replaced manhood as an idea." It seems as if the Pest is a metaphor for this decline. Just as Desmond Cantrell dies, Hennings prepares his treatment. A drunken pathologist, who is hurriedly summoned, establishes his death, but diabolic Hennings exercises his powers, with a mixture of ritual, herbs and deep stab wounds. Desmond awakens with the cries of a new born baby, breaks wind and recovers - although his friends feel that his soul was left behind at the other shore. Desmond is only a shell. In exchange for this service, Hennings demands Wakeman entirely for himself. The miraculous beauty of Wakeman will from now on be his, his protector and saviour. Even Peg is saved - her debts are paid, but not before she has signed an agreement in which she, without realizing it, ridicules her own sex and delivers herself body and soul, to another reactionary millionaire. As if that wasn't enough, another saviour, Jonas Hackluyt, makes his appearance on the scene from nowhere; an evangelist with his own multitude of followers. Like himself, all are infected by the Pest. He addresses his disciples from the balcony of Peg Sawbridge's apartment. He calls out that he himself is not made of flesh and blood, but of an all-consuming fire and indeed, as he is offered a cloak, he bursts into flames like Hercules after he had put on a poisoned shirt. His followers stand in shock and confusion. Winter is approaching and as it is time for the swallows to fly southward and for the cicadas to die and leave their empty shells behind, Hennings also retires from the scene. He bids farewell to his protégés, who know that they will never see their benefactor again. When Jared Wakeman finally opens the envelope whose contents reveals that he has inherited two theatres, Edward Hennings has been buried for a month, in Cuba. At last Wakeman has his theatre, two in fact, at the best locations in the city, but the anticipated feeling of elation, triumph and happiness is absent. Without Hennings, as man behind the scenes, they seem like empty churches. With Gérard de Nerval, Christ calls out: "The god fails at the altar where I am slaughtered..." James Purdy's story ends abrubtly and the curtain falls. "There isn't anything to say about such private sorrow. You just wait till the lights go on and then you reach for your hat." [Color of Darkness]