Home

Poep

door Johan Polak & Frans Goddijn

X: Wat zal ik ze vertellen, heer? Een mop?// Zo één die altijd inslaat bij 't publiek?
D: Bij Zeus, zeg wat je wil. Maar een ding niet:// ik moet zo nodig. Denk daarom. Dan heb// je 't mij vergald
X: Iets anders geestigs dan?
D: En evenmin: ik sta zo onder druk.
X Wat dan? Wat is er dan voor mop nog aan?
D: Wees kalm, bij Zeus. En zeg dan ook niet dit:
X: Niet wat?
D: Wanneer je straks je last verlegt:// ik moet ontlasten, heer!
X: Zo'n zware last!// Soms ook niet dit: als niemand mij ontlast,// dan zeg ik plof?
D: Neen, alsjeblieft. Daar wordt ik// ik miss'lijk van.
X: Maar waarom tors ik dan// die last, wanneer ik nooit eens zeggen mag// wat slaven altijd zeggen in een stuk// van Lukis, Phrynichos, Ameipsias?
D: Je zegt het niet. Want in 't theater ook,// wanneer ik zo iets hoor, zo'n flauwiteit,// kom ik er jaren ouder uit vandaan.

(Aristophanes, uit "De Kikvorsen", vert. M. d'Hane Scheltema)

Toen ik in de vroege jaren tachtig in een collectief woonde, vond ik de alles doordringende mestgeur van de huisgenoten iets verschrikkelijks. Ik kon er niet aan wennen. Nu gruw ik af en toe van de geur die vriendjes van mijn dochters bij ons achterlaten. Vooral jongetjes hebben volstrekt schaamteloze ingewanden. Ik deel de reserve met mijn maat, die er zo mogelijk nog meer onder lijdt. "Vroeger," vertelt hij, "werd je geacht, als je bij een vriendje kwam spelen, in geen geval gebruik te maken van het toilet voor meer dan een 'kleine boodschap'. De 'grote' gold als streng verboden. Deed je die onverhoopt toch, dan hoefde je er niet op te rekenen nog eens weer te worden teruggevraagd." Hij was onlangs ergens op bezoek, waar een allengs sterker wordende landelijke geur hing. Het was hem niet mogelijk daar te blijven voor een kopje thee. Toen hij met goed fatsoen kon wegkomen en opgelucht in zijn auto stapte, merkte hij dat de stank hem achtervolgde! In een ommezien was de cabine ervan vervuld. Tot zijn diepe schaamte bleek de bron onder zijn eigen schoeisel te schuilen. Hij opende het portier, stapte in de besneeuwde nacht, wierp de kokosmat uit zijn auto in de gracht en smeet er zijn maatschoenen achteraan. Als collectioneur van literaire brieven heeft hij talloze handgeschreven documenten in zijn archieven opgeslagen, maar éénmaal heeft hij een verzameling willens en wetens incompleet gemaakt: in een brief van onze Volksschrijver had deze, als teken van zijn welstand, onder een stukje cellotape een korrel van zijn aardse produktie geplakt. Nabokov noteerde in ADA, OR ARDOR: A FAMILY CHRONICLE dat zijn onverschrokken hoofdpersoon, aan de vooravond van een duel, had genoten van de aanblik van zijn "structurally perfect stool", waarmee hij niet, zoals een minder onderlegde vertaler misschien zou denken, zijn bewondering uitsprak voor de timmerman die een onverwoestbare kruk had vervaardigd.