Home

Panter

door Johan Polak & Frans Goddijn
Voorbij de ingang duikt een meisje op, om ons "vrijblijvend" te fotograferen. Twee oppassers demonstreren verderop hoe zij de olifanten dag in dag uit leren te gehoorzamen aan eenvoudige opdrachten - liggen, opstaan, poot optillen, boomstam rollen. Na de voorstelling werpt een van de oppassers een lege kartonnen doos in hun midden. De grijze lobbesen drommen eromheen, duwen tegen elkaar als een kluit Amerikaanse football-spelers en er klinkt trompetgeschal uit hun midden, tot één zich de doos heeft toegeëigend. Hij trapt deze zachtjes plat, waarna eenieder naar een stuk reikt, om dat loom te verscheuren. Een verzetje. Daarnaast zetelt een nijlpaard onder de waterspiegel, in zijn vuile poel. Met vaste regelmaat komt zijn kop omhoog, uit dikke neusgaten snuit de adem, briesend snuift hij weer lucht op en verdwijnt als een langzaam zinkend schip.

Bij de apen is veel volk. Een wijfje hangt hoog in de kooi aan één arm. Met de vrije hand vangt ze secuur haar eigen drol op, om die vervolgens beetje bij beetje, dromend, draaiend weer op te eten. Een gillende mannetjesaap zet zijn kooi op stelten en beëindigt zijn parade achter een wijfje dat hem haar gezwollen achterste biedt. Hij betast haar even, maar kan het niet opbrengen het pakkend slot van zijn kabaal te volvoeren. Een glazen kamer verderop herbergt een Oerang Oetan-vrouw. Zij ligt voor de ruiten in een hoek en kauwt zachtjes op haar tepels. Ze wenkt me naderbij te komen en wijst, met opgeheven handpalm, naar een kier onder haar raam, waar de rubberen voeg tussen glas en steen is verdwenen. Als ik bij haar hurk, pakt ze een strootje en duwt dat door de spleet. Ik pak het aan en geef het terug. Achteloos trekt ze het strootje weer naar binnen en werpt het terzijde. Opnieuw wenkt ze met haar vinger. Ik neem, tegen de voorschriften in welke overal staan aangeplakt, een klein takje van een struik en houd deze voor het glas. Onmiddellijk biedt de apenvrouw, die onverstoorbaar somber blijft kijken, een strootje in ruil. Ze kauwt mijn takje weg en ook een volgende. Dan wil ze niet langer takjes ontvangen. Als ik mijn vulpen toon, komt ze weer in beweging. Ik krijg een extra lang stuk stro aangeboden, maar de pen past niet door de smalle gleuf. Ik geef het stro terug, ze stopt het in haar mond en dan trek ik het weer naar mij toe. Ze reageert meteen, biedt me een dik houtje uit haar eigen collectie maar neemt dit terug voor ik het aan kan raken en rolt zich op haar zijde, weg van mij. Buiten is het voor een poosje onbewolkt, de zon brandt zelfs. Grote katten in hun kooien zijn gevangen in een ononderbroken beweging, haastig drentelend, een vaste route lopend over hun kleine territorium.

Zijn blik is van het lopen langs de stangen
zo moe geworden dat hij niets meer ziet
dan stangen. Stangen houden hem gevangen,
duizenden stangen, en daarachter niets.

De zachtheid van zijn lenig sterke pas,
die altijd weer de kleinste kring beschrijft,
is als een dans van kracht rondom een as
waarin een machtig willen is verstijfd.

Niet vaak meer trekt het scherm voor zijn pupillen
geluidloos op -. Dan gaat een beeld erdoor
naar binnen, glijdt door het van spanning stille
lijf naar zijn hart - en gaat teloor.

[Rainer Maria Rilke - "De Panter", vert. Peter Verstegen]

We zien nog juist de fotografe. Een paar regendruppels, gevallen in haar fotokist, maken de glanslaag op de foto's tot een kleverige gel, terwijl wij zoeken naar onze afdrukken. Daags erna schrijft F. over de foto: "Terwijl wij onderworpen naar het vogeltje kijken, sta jij onverschillig de fotografe af te schatten. Handen in de zak, kin naar voren, stuurse blik. Is het een wonder dat het apenwijf later op de dag het dominante mannetjesdier van onze groep op slag had herkend?"