Home

Onthoud

door Johan Polak & Frans Goddijn

Deze zomer logeerde ik met mijn gezin op Vlieland, waar de bibliotheek een speciale toeristenkaart uitgaf voor het lenen van tien boeken. Met de vlieger onder de arm liep ik vruchteloos langs de boekenwanden, tot ik bij de schappen kwam, waar de engelse boeken staan die doorgaans op de literatuurlijst van de middelbare scholieren prijken.

Ik koos EEN MIDZOMERNACHTSDROOM van Shakespeare, en SURVEY, een boek waarin alle grote werken van de engelse literatuur worden behandeld. Aan zee, waar het stuifzand zich tussen de bladzijden nestelde, ontwaakte opnieuw de ergernis die mij ook als tiener bekroop bij het lezen van zulk een boek: alles over de structuur van een roman of dichtwerk en een korte inhoud, maar geen letter van de oorspronkelijke teksten. Een verklaring van de ideeën van de auteur, maar geen woord van de auteur zelf.

Johan onderbrak me een keer streng toen

ik in een spraakwaterval mijn ideeën uitstalde voor een nieuw artikel: "Frans, wij schrijven niet met ideeën maar met woorden!"

In Een Midzomernachtsdroom genoot ik van de schitterende cadans van de verzen, die allen de plaats hebben gekregen waar hun uitstraling het grootste is. Het leek alsof er een vuurwerk afging, toen ik belandde bij de uitroep van de ezelskop die zich royaal laat verwennen door de elfenkoningin en haar gevolg: I MUST TO THE BARBER'S MONSIEUR, FOR METHINKS THAT I AM MARVELLOUSLY HAIRED ABOUT THE FACE! Eeuwen geleden geschreven, maar scherp en fris alsof het vandaag gedicht is. Ik stapte over het strand, terwijl ik de regel telkens weer herhaalde, bijna uitriep. Zou Shakespeare na het schrijven van deze woorden de pen niet even hebben neergelegd om ze uit het raam te schreeuwen tegen de eerste de beste voorbijganger?

Toen Johan zich veertig jaar geleden individueel voorbereidde op het staatsexamen gymnasium, miste hij deerlijk klasgenoten en het dagelijks contact met studiemakkers. In plaats daarvan schreef hij brieven waarmee hij oude vriendschappen in stand hield en zelfs nieuwe vrienden maakte. Hij was 22 jaar toen tijdens een bezoek aan een bejaarde penvriend het gesprek op de pas overleden dichter Hans Lodeizen kwam, die tijdens zijn leven slechts één bundeltje had gepubliceerd, getiteld HET INNERLIJK BEHANG. De oude man bevestigde de geruchten die rondgingen over ongepubliceerd werk van Lodeizen en vertelde vertrouwelijk dat hij er het een en ander van bezat.

Na veel aandringen kon Johan een blik werpen op een blad met een tiksel van één gedicht. Pen en papier mochten niet tevoorschijn worden gehaald, maar Lodeizens woorden waren zo onvergetelijk en stonden zo goed op hun plaats dat Johan kans zag het gedicht na thuiskomst meteen uit zijn hoofd op te schrijven: In de prachtige eenzaamheid
der gevangenissen vond hij
het licht rekbaarder dan de tralies.
en hij zuchtte en hij legde op zijn knie
zijn elleboog, een lijster zong, het werd lente.
(...)

Deze regels zouden onbekend zijn gebleven als Johan ze niet had gezien. Maar er is nog iets bijzonders. K.P. Kavafis was toen nog niet ontdekt en ook Jean Genet was vrijwel onbekend. Toch hebben wij hier stellig te doen met Lodeizens vrije bewerking van een gedicht uit het werk van Genet (de Chants Secrets). Alle motieven van de franse schrijver zijn aanwezig: de jongen die aan zijn vriend denkt, de gevangenis en de eenzaamheid. Het is een raadsel hoe Lodeizen dit gedicht gezien kon hebben, maar hij had veel gereisd en beschikte over een groot aantal literaire relaties van de eerste orde. In Amerika, waar hij vaak verbleef, was het werk van Genet misschien al doorgedrongen. Het gedicht waarvan we hier de eerste regels hebben geciteerd, is langer. Toch stond het na één lezing zo vast in Johans geheugen gebeiteld, dat het zelfs mogelijk bleek veertig jaar later de tekst opnieuw zo uit te schrijven. Iedereen die zou willen tegenwerpen: "maar deze regels zijn helemaal niet van Lodeizen!" zou gelijk kunnen hebben. Aan de magie van de woorden en de woordschikking doet dit niets af. Na een zomer als deze, in februari begonnen en in september niet ten einde, dringt zich onvermijdelijk het gedicht HERBSTTAG van Rainer Maria Rilke op. Het is het enige vers van de grote duitse dichter dat iedereen, die wel eens iets van hem gelezen heeft, zich kan herinneren.

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Hier is een voorbeeld van een volmaakt gedicht. De geleerde Griek uit de oudheid, Dionysius van Halicarnassus, aan wie wij te danken hebben dat althans één gedicht van Sappho volledig is overgeleverd, zou gesproken hebben over de harmonie der klanken en de schone schikking der woorden. Hoezeer dat ook voor dit gedicht van Rilke geldt, blijkt uit de vele mislukte pogingen een nederlandse vertaling van dit gedicht te maken. Daar is nog niemand in geslaagd, al deed een enkeling zoals Peter Verstegen er een goede gooi naar. Toch zijn de gouden regels van Rilke bij hem ten dele tot lood geworden:

Gebied de laatste vruchten vol te zijn,
verleen hun nog twee zuidelijker dagen,
stuw ze naar de voldragenheid en jaag
de laatste zoetheid in de zware wijn.

Hier zijn vrijwel alle woorden fout gekozen: "vol" zou "rijp" moeten zijn, "zuidelijker", een niet bestaande vergrotende trap, moet vervangen worden door "zondoorstoofd". "De laatste zoetheid" kan beter geformuleerd worden als "het pure zoete".

De nederlandse dichteres Ida Gerhardt doet in het verwoorden van
de weemoed die de mens bevangt, wanneer de zomer afloopt en de herfst begint, voor de duitse dichter niet onder.

Goudstof van vlinderwieken,
welhaast is het vergaan;
der vogelen zoet muzieken,
welhaast is het gedaan.
En in de vruchten slaapt het zaad.
Toon mij nog ééns uw schoon gelaat,
éér straks in 't graan de maaiers staan,
éér 's nachts de vogels over gaan,
--- o zomer, éér gij gaat.

Ook in dit gedicht AFSCHEID geheten, die prachtige afgewogenheid van klanken, die woordvolgorde die niet anders had kunnen zijn, zodat ook dit gedicht behoort tot het kleine arsenaal van perfecte nederlandse verzen. Niet zonder reden heeft Ida Gerhardt dit vers aan het einde geplaatst van de bundels uit haar jeugd, die zij later verenigd en geselecteerd heeft herdrukt onder de titel VROEGE VERZEN. Het afscheid van de zomer verwoordt niet alleen de overgang van het ene jaargetijde naar het andere, het vers beeldt ook de mens uit die afscheid moet nemen van zijn jeugd en de volwassenheid heeft bereikt.
Sappho, haar naam was al in de griekse oudheid legendarisch: de goede wijze Solon, de eerste wetgever der Atheners en bijna --- het verschil bedraagt enige tientallen jaren --- Sappho's tijdgenoot, uitte op zijn sterfbed één wens, een gedicht van Sappho uit het hoofd te mogen leren, om zo beter te kunnen sterven. Plato beschouwde haar als de tiende der muzen en alle dichters die na haar zijn gekomen, hebben haar onvoorwaardelijk bewonderd en liefgehad.

Zo ook Ida Gerhardt. Uit haar laatste bundel DE ADELAARSVARENS komen de volgende regels die als titel een paar griekse woorden dragen, welke aan Archimedes worden toegeschreven. Hij leefde op de overgang van de vierde naar de derde eeuw voor onze jaartelling en is bij ongeluk door een romeinse soldaat gedood, hoewel de order was uitgevaardigd zijn leven tot elke prijs te sparen. Hij zou gezegd hebben: "geef mij het punt waar ik kan staan en ik licht de aarde uit haar as."

Deze uitspraak heeft Ida Gerhardt geïspireerd tot de volgende regels waarin de enzaamheid van de dichter zo treffend wordt gesymboliseerd. Immers, de dichter is vervreemd van de mensen en zomin als Sappho ooit wereldwijd erkend is --- lange tijd had de interpretatie van het werk van haar werk veel weg van een verhoor door de zedenpolitie --- heeft ooit J.H. Leopold de hem toekomende erkenning gevonden:

Hoe moeten wij onszelf verstaan,
een wars en Prometheïsch ras,
vervreemd en uit uw hand vandaan?
De ode die van Sappho was
lichtte geen aarde uit haar as.
Geen Hooglied wijzigde haar baan.
En eenzaam is zijn weg gegaan
die Cheops schiep.
Hij riep u aan;
hij zocht het punt waar hij kon staan.