Home

Zweefmolen

door Johan Polak & Frans Goddijn
``Een sprookjesachtige jeugdherinnering van mij is tegelijk mijn moeders nachtmerrie'', vertelde ik J. tijdens een lunch. Hij luisterde, zwijgend, stak zijn lepel diep in een eierschaal, dronk thee en knikte mij toe, terwijl ik vertelde.

Mit einem Dach und seinem Schatten dreht
sich eine kleine Weile der Bestand
von bunten Pferden, alle aus dem Land,
das lange zögert, eh es untergeht.
Zwar manche sind an Wagen angespannt,
doch alle haben Mut in ihren Mienen;
ein böser roter Löwe geht mit ihnen
und dann und wann en weisser Elephant.
(.....)
[Rainer Maria Rilke, `Das Karussel']

Een licht bewolkte zomerdag. Ik was nog een kleuter en de wereld beperkte zich tot het flatgebouw waar ik woonde, de brede stoep, de straat, een groot grasveld en een rijtje winkels. Die ochtend was een kleine karavaan langsgekomen, die stilhield op het grasveld.

In de loop van de dag werden stellages opgericht en `s middags was al een zweefmolen verrezen. Omdat ik niet van het bouwterrein was geweken, overigens zonder een woord te wisselen met de onbekende grote mensen, liet de eigenaar van de zweefmolen mij als eerste passagier gratis door de lucht vliegen. Ik werd in mijn stoel getild, kettingen ratelden aangenaam, de molen ging zachtjes bewegen en even later schoot ik hoog een hemel in waarvan ikzelf de spil leek te zijn. Ik zong met het orgel mee: `addewatsieka!'

Inmiddels had mijn moeder mij overal gezocht, geen ogenblik denkende dat ik, tegen elk verbod in, de straat zou zijn overgestoken naar het kermisterrein. Toen een buurman haar vertelde waar ik zat, of, liever, zweefde, trok ze wit weg, draaide zich om en rende al, mijn naam roepend, naar de kleine kermis. Ze kwam bij de zweefmolen en zag mij, hoog boven haar, zwaaiend en zingend in een stoeltje waarvan de dunne ketting, die voor mijn buik hoorde te zijn vastgemaakt, los hing.

Gelukkig heb ik haar blik niet opgevangen, anders was haar angst misschien op mij overgeslagen en was ik van schrik uit mijn zitje gegleden. Nu schrok ik pas toen ik tot stilstand was gekomen en zij mij driftig huilend in haar armen sloot. Het beeld keert soms weer in mijn dromen; mijn oude moeder ligt er nog wel wakker van.

J. stelde voor er een stukje van te maken en bovenstaand citaat van Rilke erbij te zetten. Het ``dann und wann'' in Rilke's gedicht verwarde hem aanvankelijk, omdat hij er, al reciterend, een ander gedicht van dezelfde dichter doorheen vlocht waarin dezelfde woorden voorkomen. Hij had eens een jonge scheepsbouwer bij zich thuis gehad, die door hem vaderlijk was voorgelicht over de gevaren waaraan knapen als hij bloot staan, onbekend als ze zijn met de obscure gevoelens die bepaalde heren voor hen koesteren.

Toen J. zijn bezorgdheid toonde aan de knaap, wiens jeugdige gezicht al was getekend door zijn ruige gang naar de volwassenheid, kaatste de jongen terug met een wedervraag naar J.'s eigen levenswandel. J. weerde af met de andere `dann und wann'-regels van Rilke, uit het gedicht `Kindheit': ``Männer und Frauen; Männer, Männer, Frauen // und Kinder, welche anders sind und bunt; // und da ein Haus und dann und wann ein Hund...''