Home

Metropole

door Johan Polak & Frans Goddijn
Maandagochtend. Ik fiets vlug naar kantoor met het gevoel een voorsprong te hebben op andere ondernemers in de Steenstraat, voor het merendeel winkeliers, die nog niet aan het werk zijn. De straat, waar in het Monopoly-spel door voortvarende spelers drie hotels kunnen worden geplaatst, heeft er slechts één, een hotel-café-restaurant, waarvan de donkere benedenverdieping wordt bezocht door een bonte mengeling van stamgasten, die ik in het voorbijgaan van gezicht heb leren kennen. De naam van het hotel, Metropole, getuigt van optimisme. Misschien zal de stad eens groot worden, maar die groei zou juist voor deze zaak het einde kunnen betekenen. Nu wordt de grauwe pui, de eerste verdieping met een klein houten balkon, door weinigen gezien, straks zal een projectontwikkelaar er zijn roofvogelblik op richten. Als zestienjarige speelde ik aan een van de twee biljarttafels achterin de zaal, samen met mijn buurjongen Loet, zwijgend. Hij was altijd mijn buurjongen geweest en we waren lang vrienden, met elkaar optrekkend, afgezien van een verschrikkelijk onweer: op een dag vond ik aan de deurknop van onze flatwoning, in een linnen zakje mijn schamel geworden aandeel van de schatten die wij in ons "hol", de loze ruimte tussen twee kelders, hadden bewaard. Tijdens het speelkwartier op school liep ik toen mee met de kindermeute die hem uitjoelde met een, misschien door mij bedachte, gemene slagzin. De oorzaak van die verduistering in onze vriendschap kan ik me niet meer herinneren. Ik denk er met schaamte en huivering aan terug. "The wonder lingers and the shame remains" [Nabokov]. Later speelden we weer samen, nog later lazen we de eerste pornografie in het tot zijn modelbouw-kelder ingerichte "hol". Ook biljartten we, stil, in dit hotel. Om beurten stootten we, op elkaar wachtend, een lijnenspel denkend boven het warme laken.

De vriendschap omjubelt de bewoonde wereld, ons allen aanzeggende te ontwaken tot de zaligprijzing. [Epicurus, vert. J.H. Leopold]

Nu herken ik Michel Bosio, achter het linker raam van Metropole. Een onberispelijke Franse heer, die er zijn koffie drinkt, precies zoals ik hem vorige week zag zitten. Ik loop binnen om hem te spreken. Hij is een fascinerende man, altijd keurig gekleed, passend bij zijn onkreukbaarheid. Tegelijk draagt hij een nauwelijks verhulde woede met zich mee, al jarenlang. Sinds ik hem in de winkel ontmoette, waar ik destijds als electronicaverkoper werkte, - hij zocht een mooie, niet te dure experimenteerdoos voor zijn zoon in Parijs - heb ik hem vaak gesproken, steeds in het voorbijgaan, op straat. Zijn wonderbaarlijke belevenissen en de reden van zijn bijna tomeloze wrok zijn beschreven in het boek "Façade", dat binnenkort verschijnt bij Uitgeverij In de Knipscheer.