Home

Merel

door Johan Polak & Frans Goddijn
(zie onderaan: een bijdrage door Ria Wennekes)
Terwijl ik met mijn moeder aan het einde van een lange werkdag naar de bushalte wandel - zij vertelt tal van anekdotes over wat mijn kinderen die dag weer voor enigs hebben gezegd, ik beaam alles iets te weinig enthousiast, mijn gedachten nog bij kantoor - zie ik op een kort en smal tuinpad voor een rijtjeswoning tegenover het uitvaartcentrum een mereljong. Het staat afwachtend, vol vertrouwen, voor zich uit te kijken. Ik stap voorzichtig dichterbij, aai, en pak het op. Als ik het zò dicht kan naderen en zelfs aanraken, zal een kat het in een oogwenk verschalken... Met het vogeltje in mijn hand loop ik verder naast mijn moeder naar de bus. Het jong trappelt en pikt af en toe, maar maakt geen geluid. Links uit zijn snavel steekt een guitig spits veertje, wat de vogelkop doet lijken op het ingespannen gezicht van een kind dat ijverig zit te pennen met een tongpunt uit de mondhoek. We wachten een poos op de bus, maar nu die langer uitblijft dan gewoonlijk, laat ik mijn moeder, met de iets ongure man die daar al staat, alleen. Thuis zijn de kinderen net zo vertederd als ik. Uit de schuur pakken we een kooitje. Onze nieuwe gast blijkt te wild voor tralies, en springt, vliegt, stoot onophoudelijk tegen de ijzeren spijlen, niet bij machte het begrip preventieve hechtenis te bevatten. We overleggen met ons allen en mijn jongste dochter Veerle heeft het laatste woord. Op voorwaarde dat ik niet zal proberen de vogel in de woonkamer uit de kooi te nemen (ik zou zeker falen en dan zou het mereljong in paniek door het huis fladderen net zolang tot onze poes hem had gevangen), gaat zij akkoord met invrijheidstelling op dezelfde plaats waar het is gevonden. We lopen er in kleine optocht heen en ik neem de traliewand uit de kooi. Een paar ogenblikken zit het vogeljong stil - het heeft in korte tijd de kooi volgescheten met voedzaam zaadbraaksel - maar daarna stapt het op mijn uitgestoken vingers en komt van daar, half-fladderend, op de grond terecht. Ik neem het weer op en zet het zachtjes onder dicht gebladerte van een volle struik. Misschien is het daar veilig, misschien sluipt er een poes in het duister, die al vlug met grote ogen, luid spinnend van genoegen, de jonge prooi ontwaart. Zal het vogeljong de volwassen staat bereiken en eenmaal voluit zingen, zoals P.C. Boutens het in een laat vers, "Merel", in het eerste oorlogsjaar, heeft verwoord:

Daareven sloeg de merel uit
Tusschen twee zomerbuien
De wanhoop van zijn blij geluid,
Die zich niet meer liet zuien...
De tijd van zingen is voorbij...
Toch ging zijn gorgel als in Mei!

Door onze machteloosheid,
Die jammerlijk gebarsten fluit,
Haalt levens teêrste broosheid
Het wonder van haar zoet getuit:
Juist tusschen druk en nieuwen druk
Schalt zij de hoogste noten van ... geluk!
(.....)


Naschrift 23 mei 2005

Ria, een vriendin die ik bijna dertig jaar geleden voor het laatst ontmoette, las deze column en ze mailde me de volgende ervaring:

“Ik las op je website een verhaal of een gedicht over een merel. Een paar jaar geleden zat ik met Engelse klanten op het terras van hun hotel na een dag van huizen bezoeken. We hoorden wat tsjilpen en zagen een piepjonge merel en... op enkele meters er vandaan, een grote kat die er op loerde. Jaren lang redde ik altijd allerlei dieren waarvan ik dacht dat ze in nood waren, maar ik heb geleerd me niet meer met àlles te bemoeien. Zo dacht ik over dit mereltje, dat het geen enkele zin zou hebben als ik het mee zou nemen, omdat het toch dood zou gaan. Maar de Engelse mevrouw smeekte me het toch te doen en ik heb me over laten halen. Zo kwam Twiedel bij ons terecht. Ik had besloten dat het een mannetje was want dat vond ik leuker. Wonder boven wonder liet hij zich makkelijk voeden. Ik liet halfzachte hondenbrokjes weken en kocht pieren bij de winkel voor vissers. Na een korte tijd begon Twiedel me al echt te kennen en toonde emotie (wat ik natuurlijk als vreugde beschouwde) als ik in de buurt kwam. Ik maakte een mooie doos voor hem met gras erin en allerlei troepjes. Af en toe liet ik ook wel eens een pier in het gras en zand los in de hoop dat Twiedel zelf zou leren ‘jagen’. Toen hij een stuk groter was geworden, dacht ik dat het misschien tijd was hem te leren vliegen. We woonden in die periode in een appartement en hadden dus geen tuin. De enige oplossing was de lessen in de slaapkamer te geven. Zo bracht ik iedere avond een uur met Twiedel in de slaapkamer door na alles eerst bedekt te hebben met handdoeken tegen de vogelpoep.
Alles ging prima en Twiedel werd een gezonde sterke vogel. Het leek me dat de tijd gekomen was hem zijn vrijheid te geven. Ik heb hem daarom in een kooi meegenomen naar vrienden die veel land hebben met bos erbij. Die wonen wel zo'n 40 minuten bij ons vandaan, maar volgens mij was dat de veiligste plek voor hem. Ook natuurlijk, omdat die vrienden wel voer onder een boom zouden leggen, zodat hij in ieder geval eten had als hij er zelf nog niet zo goed voor kon zorgen.
Daar aangekomen zette ik de kooi op een tafel en opende het deksel. Dat was een mooi moment voor Twiedel. Hij keek eens naar mij, vervolgens naar een hele hoge boom en... koos de boom. Weg was Twiedel. Ik was er natuurlijk wel triest van, want ik was al aardig aan hem gehecht. Maar ja, dit was de beste oplossing voor de vogel. Ik ben toen maar gaan zwemmen met de anderen en vergat Twiedel voor een tijdje. Maar aan het eind van de middag, vlak voor het weggaan, zat ik nog even op een terras in de bomen te turen of ik hem zag en plotseling scheerde hij met een schreeuw vlak over m'n hoofd heen het dak op. Op dezelfde wijze keerde hij terug naar een boom, waar hij geduldig op me wachtte en zich door mij liet voeden.
Zo'n 10 dagen later kwam ik terug, riep "twietwietwie" en "twiedel" en daar kwam hij weer. Dit keer uit de richting van het bos. En weer mocht ik naar hem toe komen en at hij uit m'n hand. Na die tijd zagen we hem nog wel eens en hij antwoordde soms ook nog als ik hem riep, maar ik heb hem niet meer uit de hand gevoerd. Hij is gewoon een wilde vogel geworden en ik hoop maar dat het hem nog steeds goed gaat.

De ervaring met Twiedel was echt een heerlijk cadeau. Vroeger stelde ik me het paradijs wel voor als een plek waar je in een grote levende beer mocht klimmen. Ik vind dieren prachtig.