Home

Mark

door Johan Polak & Frans Goddijn
`What can I say to stop you? Shut up!', riep Rosemary, mijn Amerikaanse vriendin tegen haar moeder, die mij aan de ontbijttafel doorzaagde over onze toekomstplannen. Ik had haar dochter de zomer daarvoor ontmoet in een jeugdhotel bij Antwerpen. Na een week samen te hebben doorgebracht, de slotweek van haar moeizame studiejaar in België, hadden we stapels brieven gewisseld en nu was ik op uitnodiging van haar familie drie weken op winterbezoek. Maar toekomstplannen hadden we nauwelijks. We genoten - waar we ook zaten of stonden, we bouwden stilletjes een nest van kussens, jassen, tapijtjes en we verscholen ons achter de vele deuren, planten en panelen in het grote huis. Rosemary's oude vader was de verpersoonlijking van stilte: hij zat geruisloos aan een bureau te lezen, of was weg naar het ziekenhuis waar hij, zoon van een geïmmigreerde Poolse slager, werkte als beenchirurg. Van de meeste andere gezinsleden hadden we evenmin hinder - een tienerzusje kon ons geknuffel niet aanzien en maakte dat ze wegkwam zodra ze op ons stuitte, een jongere broer sliep overdag om 's nachts in alle rust te kunnen lezen en de oudste zus bracht ons, wanneer wij dat wilden, gemoedelijk naar een besneeuwde berg in de omgeving waar wij, als kinderen, juichend sleetje reden terwijl het zusje, ook een boekenwurm, in de auto achterbleef met haar boeken.

Moeder vormde de samenbindende kracht in het huis vol zonderlingen en was tegelijk degene die wij het meest actief ontweken. Zij stelde zichzelf grondig op de hoogte van ieders wedervaren en sprak tijdens de gezamenlijke maaltijden honderduit over haar kjinderen. Het verraste me hoeveel ze over haar kinderen wist te vertellen vanaf hun vroegste jeugd. Ze illustreerde haar visie met talloze anecdotes. Zo was haar zoon Marc langzaam ongrijpbaar geworden, met een ongevoeligheid voor aardse krachten en verhoudingen die hij als kleuter al eens demonstreerde door het portier van een rijdende auto te openenen de snelweg op te buitelen, zonder gewond te raken. Hij, niet de oudste maar wel de vroegste met veel dingen, was ook de eerste die zijn eigen plannen maakte: `Ik reis volgende week naar een rockconcert in Spokane', had hij als vijftienjarige aangekondigd. `Nee!, je blijft hier, bij mij', antwoordde zijn moeder bezorgd. `Je mag meekomen', antwoordde Marc kalm, `maar ik ga'. Ik hing op zulke ogenblikken aan haar lippen en wenste mij zo'n broer. Rosemary werd dan nerveus, en wilde mij tijdig weghebben van tafel, eer moeder met ons alleen zou zijn.

Nu echter was het zover. De tafel stond, groot en rond, in de winterse ochtendzon te stralen. Kristallen schaaltjes halfvol jam, door moeder zelf gemaakt en, daarin lui weggezakt, brede gebogen lepels, met in de kromme steel gegraveerde krullen en in de holtes een geëmailleerd tafereel van bloeiende rozemarijn. Moeder, een kleine, voluptueuze gestalte, zat tegenover ons en had ons "nailed", vastgepind in een bezorgdheid, die op ons oversloeg. Wat was ik van plan, zonder afgeronde opleiding, een aankomend welzijnswerker waarop in de USA niemand dan haar dochter zat te wachten? Als we wilden trouwen, zou Rosemary dan, zes jaar ouder en afgestudeerd, voor mij de kost moeten verdienen?

Eerst praatte ik, zonder iets te zeggen, toen zweeg ik en nam de kristallen kommetjes in mij op, om ze zó voor altijd in mijn herinnering te behouden. Vele maanden later, terwijl de voorbereiding voor mijn tweede reis vorderde, had onze correspondentie een wending genomen. Ik was ontrouw geworden en had dit, naïef misschien en harteloos zeker, "eerlijk" verteld. Rosemary's moeder kreeg gelijk: ik zou haar dochter uiteindelijk alleen maar ellende bezorgen. Vlak voor mijn vertrek, voor een heel jaar nu, voor onbepaalde tijd eigenlijk en naar ik dacht voorgoed, viel een expresbrief door de brievenbus. Ik moest maar beter niet komen. `Don't come here! What do you want me to tell you? Fuck you? Stay where you are!'