Home

Lied

door Johan Polak & Frans Goddijn
Sinds enige jaren mag ik geregeld 's avonds eten bij de moeder van mijn maat, met wie ik vele dagen van de week aan het werk ben. Wanneer hij ons kantoor verlaat om naar zijn gezin te fietsen, loop ik naar zijn lieve moeder toe. Zij kookt rijk en bourgondisch en zo eet ik alles wat God en de huisarts nu juist uitdrukkelijk hebben verboden. Afgezien van haar grote kookkunst - zou de Michelingids ook huismoeders beoordelen, ze zou een ster krijgen, heel misschien twee - kijkt zij lijdzaam toe terwijl ik slobber, smak, knoei en grommend van genoegen de schalen uitlik en mijn aardappels prak, handelingen die niet en nergens zijn toegestaan. Daarenboven is zij bepaald een loopbaan als cabaretière misgelopen. Even afwisselend en overvloedig als de maaltijd, bijkt haar "gusto" verhalen te vertellen. In het vuur van haar betoog springt zij geregeld van haar stoel op om, door haar kleine flat stappend, alle gebaren na te spelen. Het verhaal heeft nooit een slot, want associatief springt zij over van de ene naar de andere belevenis uit haar veelbewogen leven dat dramatische keerpunten heeft gekend, totdat ik, ademloos toehorend, besef weer voorin een verhaal te zijn beland, dat, voor de tweede maal beluisterd, mij nog meer weet de pakken dan de eerste keer.

Vandaag huilt moeder: zij is bezorgd om het huwelijk van haar zoon. Haar schoondochter is een paar dagen van huis en het steekt haar hoe weinig verdriet haar zoon daarvan lijkt te hebben. Zou er een andere vrouw...? Ik, ook een beetje verliefd op haar zoon - hij, de knaap die alle ouders als schoonzoon zouden wensen - stel haar gerust en tracht het gesprek te redden door haar te vragen naar zijn vroege kleutertijd. Haar soepele geest is subiet afgeleid, nu ik een andere oude bron van haar herinnering heb aangeboord. Tot in het kleinste detail beschrijft moeder de kinderkleertjes, die zij alle zelf heeft gebreid of gehaakt, en zet daarna een wiegeliedje in. Moeder en haar, reeds hoogbejaarde, gast zingen samen, nog voor de pudding uit de vorm wordt gestort en de slagroom zal worden geklopt, een heel repertoire aan kinderliedjes, met tranen in hun ogen. Bij een enkel vers bewegen we onze handen mee, boven tafel, en door het felle keukenlicht beschenen, moeten we een vreemd schouwspel vormen voor de mensen die buiten, aan de overkant, bij een snack-kar, peinzend hun frietje staan te eten.

Hompeltje en Pompeltje die klommen op 'n berg.
Hompeltje was een kabouter en Pompeltje een dwerg.
Ze klommen boven op het topje en knikten met hun kopje.
Toen zijn ze diep in de berg gekropen, en
niemand heeft ze meer zien lopen.

Hoewel ik de gebaren was vergeten, keek ik met verbazing hoe mijn oude gewrichten het nog moeiteloos wisten; even gedachteloos als ik het zelf vroeger in de kleuterklas had meegedaan, bewoog ik nu mijn vingers, zag de twee dwergen met hum kopje knikken en voor altijd uit het zicht verdwijnen.