Home

Leopold

door Johan Polak & Frans Goddijn
Wie als gedreven lezer van de verzen van J.H. Leopold gehecht was geraakt aan de edities, bezorgd door P.N. van Eyck (bij voorkeur de uitgave van 1935, dat grote in donkerblauw, soms ook zeegroen, linnen gebonden boek) heeft daarin gedichten aangetroffen en mogelijk zelfs regels onthouden, waarvan het volstrekt onzeker is of Leopold deze ooit zó zou hebben gepubliceerd. De dichter, die juist in het laatste jaar van zijn leven een niet gekende poëtische bedrijvigheid aan de dag had gelegd, ten dele verband houdende ongetwijfeld met zijn vervroegde, min of meer afgedwongen, pensionering, - doof geworden, was hij volgens rector en curatorium niet langer als leraar te handhaven - overleed plotseling in 1925 op zestigjarige leeftijd. In zijn nalatenschap werd een omvangrijke hoeveelheid schetsen, aanzetten en snippers aangetroffen. Een kleine kring van bewonderaars, die alle in meerdere of mindere mate Leopold persoonlijk hadden gekend, wist dat Leopold al jaren werkte aan de uitgave van een tweede bundel gedichten. Na zijn dood bleek tot hun verwondering dat hij met dit werk eigenlijk nauwelijks was gevorderd. Dat toch in 1926 een kleine verzameling gedichten kon verschijnen, getiteld J. H. LEOPOLD / VERZEN / TWEEDE BUNDEL, was te danken aan de inspanningen van een neef van de dichter en van een bevriende collega, Dr. R. Jacobsen.

CHEOPS en OOSTERSCH waren in 1916 en 1924 al bibliofiel verschenen, ALBUMBLAD had in DE GIDS van 1922 gestaan. Ten aanzien van de andere in de bundel opgenomen gedichten ontbrak elke verantwoording omtrent de samenstelling van de tekst. Met de beste bedoelingen hadden de beide bezorgers, voor dit werk trouwens niet gekwalificeerd, er een rotzooitje van gemaakt. Een nijdige pennestrijd, waarin de dichters Nijhoff en Werumeus Buning een belangrijk aandeel hadden, volgde. De uitgever (Brusse, Rotterdam) trok tenslotte de enig mogelijke conclusie: de uitgave van het nagelaten werk diende te worden overgedaan.

Hoewel P.C. Boutens zich voor deze taak had aangediend, viel de keuze van de familie en de uitgever op de dichter-geleerde P.N. van Eyck. Aan het einde van de jaren twintig bracht deze een eerste ordening aan in de nagelaten handschriften. Hij verdeelde deze in groepen en gaf er nummers aan. Na een onvoorstelbaar zware arbeid liet hij in 1935 de VERZAMELDE VERZEN van J.H. Leopold verschijnen. En daar is het bij gebleven, tot in het begin van de jaren vijftig alle edities van Leopold zo zeldzaam waren geworden, dat, hoewel de verzen slechts door enkelen werden gelezen, een uitgever een heruitgave waagde. Zo kwamen de werken van J.H. Leopold in de jaren 1951 en 1952 opnieuw in de handel, nu in twee kleine blauwe deeltjes in de befaamde dundrukserie van G.A. van Oorschot. Behalve de verzen waren ook de vertalingen die Leopold voor een deel tijdens zijn leven had gepubliceerd, anderdeels gebruikt voor zijn lessen en een enkele voordracht, vermeerderd met een aantal artikelen, daarin opgenomen. P.N. van Eyck had enige jaren na de dood van de dichter getracht uit de poëtische chaos van de nalatenschap een voor zover mogelijk leesbare tekst te maken. Dat is hem ten dele ook gelukt, maar de lezer die de editie van 1935 of van 1951/2 ter hand nam, was zich doorgaans niet bewust dat hij composieten onder ogen kreeg: teksten die betrekkelijk willekeurig, maar met grote smaak, samengesteld waren uit de wanordelijke aantekeningen van Leopold zelf. Het behoeft geen nader betoog dat uitgaande van de hedendaagse editietechniek composieten niet langer aanvaardbaar worden geacht.

Het unieke gegeven dat er van een dichter van het formaat van J.H. Leopold een zo volledige nalatenschap voorhanden bleek, stelde de wetenschap voor een onontkoombare vraag: uitsluitend de gedichten publiceren die de schepper zelf als voltooid had beschouwd en het overige als ruw materiaal in een bibliotheek opslaan, óf er met de moderne editietechniek zo ver in door te dringen als maar denkbaar was.

Dientengevolge wordt de uitgave van een nalatenschap steeds ingewikkelder en het is de vraag of veel dichterlijke nalatenschappen zo kunnen worden uitgegeven als het geval is geweest met de fragmenten van J.H. Leopold (vijf dikke delen, onder auspiciën van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen).

Een van de versgroepen uit de nagelaten handschrijften, groep zes, ontstaan in de tijd waarin Leopold ook heeft gewerkt aan CHEOPS en zijn oosterse gedichten, is door Dr. J.D.F. van Halsema aan een diepgaand onderzoek onderworpen. Het resultaat was een cum laude promotie, een lijvig boekdeel, vermeerderd met een werkeditie, en een verdiend hoogleraarschap aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. De extra moeilijkheid bij de bestudering van Leopolds dichterlijke werk is gelegen in zijn ongelooflijke eruditie. Leopold was evenzeer thuis in de klassieke als de moderne talen, evenzeer in de antieke als in de hedendaagse wijsbegeerte. Voor zijn dichterlijke werkzaamheid werd hij niet alleen beïnvloed door de boeken die hij bestudeerde, maar vaak nam hij hele passages, regels, of een enkele wending in zijn eigen gedichten over.

Dat had tot gevolg dat de interpretatie van zijn gedichten VAN WIJN EEN DRUPPEL... en CHEOPS zoveel kanten uit kon, daar deze verzen nauw verbonden waren zowel met het antieke als het hedendaagse erfgoed. De groep verzen die Van Halsema behandelt, zijn in zeer schetsmatige staat voor ons bewaard gebleven. Niettemin blijken de eerste regels van deze versgroepen al onvergetelijk:

Soms in de volte van de straat

En op de bodem van den nacht

Gij stondt en leundet aan den brug

Geheven kelk en tartend flintkristal

Deze vier regels hadden tot indrukwekkende gedichten kunnen uitgroeien, maar zij zijn jammer genoeg door Leopold niet voltooid. Van Halsema heeft met schitterend vernuft de bronnen van deze onafgemaakte verzen ontdekt. Tezamen komen: een boek van Louisa Jebb, BY DESERT WAYS TO BAGHDAD (een reisbeschrijving van een aanzienlijke dame, die in het begin van onze eeuw het nabije oosten heeft verkend op een wijze die tot grote eerbied noopt), een gedicht van Walt Whitman, CROSSING BROOKLYN FERRY, en een beroemd, uitermate duister sonnet van Mallarmé, in de regel aangeduid als HET SONNET IN YX. Uiteraard kenden Noch Whitman, noch Mallarmé het boek van Louisa Jebb, maar Jebb heeft wel, zij het misschien oppervlakkig, kennis gehad van Whitman, aangezien zij een citaat van hem in haar boek heeft opgenomen (overigens zonder zijn naam daaronder te zetten!). Mallarmé was wél op de hoogte van de poëzie van Whitman en er is zelfs van hem een karakteristieke uitspraak over Whitman overgeleverd: "het is alsof met heel mooie stem de dorpskrant wordt voorgelezen". Scherper had Mallarmé, een vertegenwoordiger van de poesie pure, de "onzuivere verskunst" van Whitman niet kunnen karakteriseren.

Naast de verbindingen die Van Halsema heeft gelegd tussen de verzen van Leopold enerzijds en Mallarmé en Whitman anderzijds, heeft hij ook zeer scherpe lijnen getrokken naar de klassieke oudheid. Het blijkt uit het boek van Van Halsema meer nog dan tevoren duidelijk was, dat Leopold lichtelijk bezeten was van de openbaringsfilosofie in de latere oudheid, anders geformuleerd, van de licht mystieke kanten van STOA en Epicurus. Hoewel dat uit het weinige wat ons van Epicurus is overgeleverd niet blijkt, hadden latere schrijvers de gedachte dat Epicurus door een hemelvaart de wereldmuren had opengebroken en zo de goden had kunnen schouwen.

Van deze uitleg is veel bij de latijnse dichter Lucretius terug te vinden. Dan zijn wij CHEOPS zeer dicht genaderd, want ook Cheops maakt een reis door het heelal. In andere publicaties had Van Halsema al gewezen op het epicureïsche erfgoed aanwezig in het gedicht CHEOPS. Voor VAN WIJN EEN DRUPPEL... geldt iets soortgelijks: wiens komst wordt in zo'n geheimzinnig gejubel aangekondigd? Wie is de dolende, de dromende die kon geraken tot de troon over de volkeren?

Het blijkt dat de versfragmenten waaraan Van Halsema zijn boek heeft gewijd, dezelfde vragen opnieuw oproepen, waardoor het nog meer te betreuren valt dat Leopold dit werk niet heeft kunnen voltooien. Van Halsema gaat op de kaart van Leopolds dichterlijk genie alle hoofdstraten, dwarsverbindingen, zijstraatjes, stegen en gloppen na en tracht zo de dichterlijke associaties van Leopolds verbeelding bloot te leggen. Hij is daar ten volle in geslaagd, iets wat alle waardering verdient. Of deze queeste ons echter nader heeft gebracht tot het wezen van Leopolds dichterschap, valt moeilijk te bepalen. De ontdekking van de dubbele helix en het DNA-onderzoek, hebben veel over de plaats en de betekenis van de genen blootgelegd, maar het raadsel van het leven niet ontsluierd.