Home

Kurhaus

door Johan Polak & Frans Goddijn

Mijn vriendin was wandelen in Zwitserland, mijn maat Johan wilde graag in afzondering werken aan stuk over de dichter Boutens, ik had de kinderen om voor te zorgen, mijn moeder wilde haar verjaardag vieren... en ik wilde vliegeren. Er is één plek waar dat valt te combineren: het Scheveningse Kurhaus Hotel.

Onze taxi stopt voor het hotel. Portiers snellen toe om onze deuren te openen en de bagage in ontvangst te nemen. Ik stap uit, leg een van hen met een terloops, maar niet voldoende geoefend, gebaar een vijfje in de uitgestoken hand en wil hem met onze tassen en koffers belasten, tot een hoger geplaatste portier hem toefluistert dat dit de verkeerde Mercedes is. Een zwerm verjaagde spreeuwen gelijk, vliegen de portiers op een andere wagen af. Binnen omarm ik Johan, die juist bij de receptie kwam vragen of wij al waren gearriveerd. Mijn dochters doen samen met een magnetische sleutel-kaart en strijden erom wie de kaart mag steken in een van de sleuven waarmee de lift wordt bediend. Boven, op de vierde etage, staat een schoenpoetsautomaat en daar komen wij niet langs eer ieder op zijn beurt zijn geschoeide voeten erin heeft gestoken. Op elk van onze kamers ligt, bij een bloemstuk, het kaartje van juffrouw Fatima, die hoopt dat alles naar wens zal zijn. De kinderen willen in bad met schuim, Johan wil schrijven, moeder gaat haar beautycase uitpakken en ik maak me uit de voeten, het strand op, een vliegertas om mijn schouder. Heen en weer hollend over het strand leg ik de stuurlijnen uit, maak ze vast aan een grondhaak, zet mijn grote lichte Phantom in elkaar en trek deze met een ruk uit zijn schuine stand van het zand af, de straffe wind in, zodat hij ineens, razend, de lucht in schiet. Ik sta tot mijn hielen in een stinkende vette schuimkraag, door de vloed op het zand achtergelaten, maar het deert niet. De zeewind heeft de meeste wandelaars thuisgehouden en wanneer, boven het hotel, de zon doorbreekt, vormt het vrijwel lege strand een vliegerparadijs. Dan komt Johan aanlopen, met mijn moeder en de kinderen. Hij zegt de vlieger, waarover hij wel heeft geschreven maar die hij nog niet in het echt had gezien, prachtig te vinden en noemt het, zoals in de column, een maanvis. Al snel wil hij terug naar zijn kamer. Het zand komt tussen zijn rubberen overschoenen en de zwarte leren maatschoenen die erdo or worden omvat, de wind tocht om zijn nek die onvoldoende wordt beschermd door twee zachte grijze dassen en de zon brandt hem op de bleke huid.

Ik blijf nog even tot ik ben uitgeraasd en welgemoed, met gloeiende wangen van het spel in de wind, draaf ik terug naar het hotel, verwelkomd door de portier. Ik geef hem nog een vijfje. ``Aan nieuwe geschenken zal het niet ontbreken, al hebben de eerste tot niets geleid.'' [Willem Elsschot `Het Dwaallicht'].