Home

Kermis

door Johan Polak & Frans Goddijn

Ik bracht mijn kind een buks mee naar huis;
hij schouderde hem en schoot
eer ik het kon verhinderen
de zeven poppekinderen
van het poppenhuis
morsdood.

Schiettent op de Boul'Miche
en verbaasde kinderogen
van borden, ogen gelogen.
--Wie woont er in dat huis?--
Ah, je m'en fiche!
Zeven borden aan gruis.

[Ida Gerhardt, `Huiselijk leven']

Kermisbezoek, in de avondschemer van een lange, warme dag. De kakafonie van muziek en omroepers geeft ons het gevoel dat het mooiste nog staat te gebeuren. De grootste attractie is een lange rij zitplaatsen naast elkaar, gezet tegen een hoge, door kleurenspots verlichte wand. Zodra de plaatsen goeddeels zijn bezet, sluit zich een beugel over de stoelenrij. Naast elkaar zitten, fel uitgelicht, kermisgangers: meisjes, voor deze opwindende avond in hun mooiste kleren, opgemaakt om jaren ouder te lijken, een paar broers, stampend van ongeduld, een vader met zijn dochter en enkele verveeld voor zich uit turende eenlingen. Dan zet de rij zich in gang: de stoelen blijven rechtop, maar bewegen in telkens wisselende snelheid langs de muur omhoog, opzij en weer omlaag. De gezichtsuitrukking van de `geketenden' begint te veranderen. Jongeren, voldoende getraind door de camerabewegingen in duizelingwekkende videoclips, lachen en zwaaien uitgelaten naar hun vrienden. De broertjes schreeuwen elkaar moed in en omklemmen met hun handen stevig de beugel. Ze worden heen en weer geslingerd in een allengs heftiger, onvoorspelbare beweging. De ouderen, maar ook de eenzamen, die zich aanvankelijk gedeisd houden, krijgen het moeilijk. Ze zoeken vergeefs een rustpunt om naar te kijken, gaan rollen met hun ogen en worden ziek. Het spijt mij wanneer zij erin slagen hun pokerface te behouden, om uiteindelijk onaangedaan weer van hun stoel op te stappen, maar dat gebeurt zelden. Vanavond is de vader de prooi van mijn blikken. Hij tilt een reusachtige, slappe buik, die vlak onder zijn borst begint en ruim over zijn lage broek heen rolt. Een betrekkelijk klein, maar somber hoofd. Al bij de eerste ovalen, die zijn stoel langs de muur beschrijft, krijgt hij een onaangenaam verraste uitdrukking in zijn ogen. Hij roept iets naar zijn vrouw die naast ons staat, en heft voor haar, als vloek in gebarentaal, zijn vuist met gestrekte middelvinger. Zijn stem gaat onder in de house-muziek. `s Mans vrouw heeft reusachtige billen, die n ietsverhullend, trots door haar worden gedragen in een dunne, zalmkleurige legging. Even houdt de stoelenrij stil, hoog boven ons, en de passagiers kunnen uitblazen, in de diepte naar beneden wenken, met elkaar wat woorden wisselen. Dan gaat het voort, veel sneller nu. In het schijnsel van de lampen worden allen tot sterren in een show - de mooien knapper, de lelijken afzichtelijk. De vader houdt zijn mond afwisselend wijd open en stijf gesloten. Hoewel hij jong is, heeft hij geen tanden meer - zo te zien is kort geleden in een keer alles getrokken, `om er meteen vanaf te zijn', en is zijn kunstgebit nog niet gereed. Wanneer hij zijn kaken opeenklemt, neemt zijn toet verbluft de rondtollende wereld in ogenschouw. Telkens roept hij hard en tegelijk geluidloos, zijn mond tot een grimas vertrokken. Mijn jongste dochter, die zich bijzonder op deze avond had verheugd, keek eerst bewonderend naar het spektakel, maar heeft nu zijn blik gezien en wil in mijn armen, met de rug naar hem toe. Mijn plezier staat haar tegen, en ze wil weg, naar huis desnoods. Maar we blijven: ik heb geen enkele schuld aan het lijden van deze man, niemand treft enige blaam voor dit afzien dat schouwspel is geworden. Dan gaat de machine in hogere versnelling, de muziek klinkt harder en uit de zakken van de vader slingert eerst zijn portefeuille en daar achteraan een ander leren mapje. Als een zware dronkeman probeert hij uit zijn stoel op te staan en wijst hij de kostbaarheden na, die beneden op de keien vallen. Mijn oudste dochter spoedt zich naar voren om ze op te rapen, maar wordt ingehaald door de vrouw, die haar wegkijft en zich behendig meester maakt van beide voorwerpen voor een ander ze kan grijpen. Dan is het voorbij - het toestel houdt stil, de stoelenrij zakt langzaam naar de grond en de beugel verheft zich. We lopen verder. Ik ben tevreden met deze dag.