Home

Kavafis - Wachtende op de barbarenABN

door Johan Polak & Frans Goddijn

Afgelopen zomer reisden we naar Zutphen, om de voordracht bij te wonen van een twaalfdejaars leerling aan de Vrije School. We kwamen op tijd voor een bezoek aan de boekwinkel Van Someren & Ten Bosch. De eigenaar hield ons gezelschap bij de maaltijd in een naburige gelegenheid. Geen gewoon eethuis, maar het stamcafé -restaurant van de dichteres Ida Gerhardt. Johan reciteerde er met gedempte stem:

Ik was zeer laat. En ik ben altijd vervaard
als de draaideur gaat draaien om zijn as.
Helaas. Mijn vaste plaats was al bezet.
Een imponerend iemand, zwaargebaard.
Een vreemdeling? Wát een Silenuskop!
Hij nam mij, niet onhoffelijk, even op.
De ober kwam met borden en servet.
Ik keek steeds aan zijn table á deux voorbij,
maar merkte desondanks met schrik dat hij
alleen zat of hij met z'n tweeën was.
Opeens schoof hij het nagerecht kort weg
en hief de wijn ving nog wat late zon
tot zijn gespreksgenoot het fonkelend glas.
Hier was geen twijfel mogelijk: hij begon
thans met de ander het symposion.
Ik had nog niets besteld: ik kán nog gaan.
Reeds ving, diep in mijn hart, dat branden aan
dat ik zo vrees, en dat maar niet geneest.
Eergisteren. Wie kan het zijn geweest
die, toen hij zo herkennend naar mij keek,
op Socrates en op Verlaine leek?

[ Ida Gerhardt HET SYMPOSION ]

In de zaal van de school was het druk: opgewonden jongens en meisjes in de lente van hun leven, trotse ouders, kennissen enleraren. Wij kwamen om een jonge vriend Tobias te zien, die zouspreken over decadentie. Zijn optreden was een grote verrassing: gehuld in een zwarte cape om zijn uitzonderlijk lange, iets gebogen gestalte, declameerde hij een vers van Kavafis, WACHTENDE OPDE BARBAREN. De tekst lijkt een eenvoudig hoorspel en Tobias stapte over het toneel om beurtelings beide rollen uit te spreken. Zijn jongensachtigheid strookte met de eenvoudige taal van Kavafis, maar tegelijk illustreerde zijn ravenzwarte verschijning de verborgen dreiging in het vers. Na de voordracht luisterde Tobias met een glimlach die het midden hield tussen beleefdheid en lichte spot en antwoordde met autoriteit op vragen over het onderwerp waar hij een jaar lang studie van had gemaakt. Eenmaal van het toneel teruggekeerd en weer bij zijn ouders en vrienden in de wandelgangen, was hij opnieuw een knaap, aan het begin van zijn scholing. Enkele magische ogenblikken lang hadden de mensen in de zaal hem kunnen zien, zoals hij zal worden. Historische afstanden, door Ida Gerhardts gedicht in een twintigtal regels overbrugd, zijn gering: tachtig paar handen zouden elkaar in de geschiedenis kunnen reiken en terugvoeren naar het Athene van Sokrates.

De bloei van Athene duurde kort. De oorlog met Sparta had op het einde van de vijfde eeuw de beide staten uitgeput. De grote tijd van de dramatische dichtkunst was voorbij, de eeuw van het proza aangebroken. Toen het ten noorden van Griekenland gelegen Macedonë- door de spotlustige Grieken niet voor volwaardig aangezien- zich, geleid door de geniale strateeg koning Philippus, tot een belangrijke militaire macht ontwikkelde, betekende dat al spoedig de ondergang van de onafhankelijke, elkaar steeds bestrijdende, griekse stadstaatjes. Na de opkomst van zijn zoon Alexander de Grote en de veldslag van Chaironeia, waar het vrije Hellas geen stand wist te houden, verplaatste de griekse cultuur zich binnen enkele decennia van Athene naar de door Alexander gestichte stad Alexandrië, het nieuwe middelpunt van de toen beschaafde wereld. Ook deze stad, het wonder van de oudheid, raakte na enkele eeuwen van grootse ontwikkelingen in verval. Christendom en Islam eisten hun tol en stelden nieuwe vormen in de plaats van de oude, die zichzelf trouwens goeddeels hadden overleefd.

Kavafis (1863-1933) woonde bijna zijn hele leven in deze nu vervallen stad, die niets meer bewaarde van haar glorie uit de tijdvan haar stichting. Alexandrië was in de negentiende eeuw verworden tot een rommelige havenstad in het ontwikkelingsland Egypte. In de beleving van Kavafis en in zijn gedichten neemt de stadechter mythische proporties aan.

Nog altijd is het Alexandrië. Als je even wandelt op de rechte weg die eindigt bij de Hippodroom, zul je paleizen zien en monumenten, die je in verbazing brengen. Hoeveel schade de stad ook door de oorlogen geleden heeft, hoeveel kleiner ze ook geworden is, toch altijd nog een bewonderenswaarde stad.

[Bannelingen, oktober 1914]

Kavafis was een telg uit een aanzienlijke handelsfamilie met vestigingen in Engeland. Na de dood van Kavafis' vader bleek de zaak financieel aan de grond, zodat Kavafis genoegen moest nemen met een eenvoudige baan als abmtenaar bij het ministerie van bevloeiingen. Af en toe verdiende hij wat extra als beursmakelaar. Zijn dichterschap speelde zich in het verborgene af. Waarom? Vanwege het onverbloemd uitspreken van zijn erotische voorkeur? Het Egypte van Kavafis werd door de Engelsen gedomineerd, en koningin Victoria regeerde nog. Anderen zeggen dat Kavafis besefte in zijn eigen tijd niet begrepen te zullen worden, en bij voorbaat opzag tegen de uitingen van het literaire recensentendom. Hij was gevoelig voor kritiek en stuurde zijn verzen, op losse blaadjes gedrukt, slechts aan enkele vrienden en bewonderaars. Op het einde van zijn leven bezocht hij, ernstig ziek, Athene. Een succesvolle operatie gaf hem nog een jaar te leven. Dat de roem geruisloos over hem was gekomen, heeft hem veel goedgedaan. Echter, hij wenste geen bundeling van zijn werk, en de eerste boekuitgave van zijn gedichten verscheen pas twee jaar nazijn dood.

Niemand had kunnen vermoeden dat zijn faam zich over de wereld zou verspreiden. De tweetalige publicatie van een handjevol tot dan toe onbekende gedichten in 1971 wekte alom opschudding. Deze verzen beïvloedden andere dichters, onder wie de Nobelprijswinnaar Josif Brodski. Het werk van Kavafis is op de dag van vandaag in alle moderne talen beschikbaar.

Hoe is het echter mogelijk geweest dat Kavafis - hij overleed in1933, zeventig jaar oud, in zijn geliefde Alexandrië - verder heeft kunnen zien dan uitsluitend in het historische verleden? Wonende op de uiterste boorden van de europese beschaving voorzag hij, twintig jaar eerder dan Oswald Spengler, de sombere toekomst van ons werelddeel. Een historische moment-opname?

WACHTENDE OP DE BARBAREN

-waar wachten wij op, verzameld op het marktplein?

De barbaren zullen vandaag moeten komen.

-Waarom heerst er zo'n ledigheid in de senaat?
Wat zitten daar de senatoren en geven geen wetten?

Omdat de barbaren vandaag zullen komen.
Wat voor wetten zullen de senatoren nog maken?
De barbaren zullen, als ze er zijn, de wetten geven.

-Waarom is onze keizer zo vroeg verrezen,
en waarom zit hij bij de grootste poort van de stad
op zijn troon, officieel, met de kroon op zijn hoofd?

Omdat de barbaren vandaag zullen komen.
En de keizer wacht af om hun leider
te ontvangen. Zelfs heeft hij een perkament
laten maken om hem te geven. Daarop
schreef hij voor hem veel titels en grote namen.

-Waarom verschenen vandaag onze beide consuls
en de praetoren in hun rode, hun geborduurde toga's:
waarom deden ze braceletten aan met zoveel amethisten,
en ringen met prachtige glanzende smaragden:
waarom namen ze vandaag die kostbare staven ter hand
bezet met goud en zilver, uitzonderlijk geciseleerd?

Omdat de barbaren vandaag zullen komen,
en dergelijke dingen verblinden de barbaren.

-Waarom komen ook niet, zoals altijd, de waardige oratoren
om hun redes te laten horen, om het hunne te zeggen?

Omdat de barbaren vandaag zullen komen,
en die houden niet van welsprekendheid en mooie redes.

-Waarom begint nu ineens die onrust
en die verwarring.(Wat werden de gezichten ernstig).
Waarom lopen nu snel de straten en de pleinen leeg,
en gaan allen naar huis terug, diep in gedachten?

Omdat het avond werd en de barbaren niet gekomen zijn.
En er kwamen mensen aan uit het grensgebied.
Die zeiden dat er geen barbaren meer zijn.

En wat moeten wij nu zonder barbaren.
Die mensen waren tenminste een uitweg.

Kavafis laat de tijd van handeling opzettelijk in het vage. De gebeurtenissen spelen zich af in een niet nader omschreven hoofdstad van het laat-romeinse of vroeg-byzantijnse keizerrijk. De bevolking is door een overmaat aan weelde en vrijheid tot moedeloosheid vervallen. Het is ook de tijd, waarin de Groenen en de Blauwen met het wagenrennen tegen elkaar in het strijdperk zullen treden. Elk hebben zij hun supporters, die veel lawaai maken. Partijgangers van de ene kleur vallen onverhoeds partijgangersvan de andere kleur aan.

Straatgevechten breken uit, mooie, oude gebouwen worden met fakkels aangestoken en branden tot de grondtoe af. Overheidsdienaren blijken niet in staat de vechtenden te scheiden, niets vermoedende burgers worden in de menigte doodgedrukt. In het geschreeuw en gejoel horen de stadsbewoners de klaroenen van de Vandalen niet, de stad wordt bij verrassing ingenomen en geplunderd. Dit maal zijn de barbaren wél gekomen!