Home

Jas

door Johan Polak & Frans Goddijn

Wij schrijven elkaar brieven - eerst was het af en toe, toen werd het wekelijks en nu, wanneer wij elkaar niet kunnen zien, minstens eenmaal per dag. Terwijl we rommelen in het brievenarchief, valt ons de eigenaardige, snelle wisseling van onderwerpen op, vanaf het eerste vel dat we ooit hebben geschreven. Wij typen allebei slordig en vlug, aanvankelijk op oude typemachines die een hard en klappend geluid maakten, nu met behulp van printers die een luid en scheurend gekrijs voortbrengen. Onze briefwisseling maakte dat we aan elkaar gehecht raakten, terwijl onze zeldzame ontmoetingen een vriendschappelijke liefde opriepen. Maar één bepaalde gebeurtenis kan ik niet meer terugvinden, hoewel ik stuit op verwante passages:

"Die Nabokov/Peter Sellers film zou ik graag eens zien, maar ik betwijfel of je zoiets op onze TV kan aansluiten. Ons toestel is van 1970 en toen bestond er nog geen video voor eenvoudige mensen zoals ik. Je had het alleen in Amerika bij de hele rijken en criminelen. Ik heb de laatste weken op financieel terrein de grootste problemen. Je moet alles stipt op tijd betalen, maar het geld dat in moet komen, blijft uit. Wat gek, die twintig graden vorst ineens, maar als het windstil is, merk je het niet. Gisteren viel mijn neus ineens voor mijn voeten, dus die had losgelaten."

P. woont in Amsterdam aan een gracht. Soms zocht ik hem daar op en dan ondernamen wij de reis naar een huis aan het IJsselmeer om daar een weekeinde door te brengen. Deze tocht was ingewikkeld en lang. Wachtend op de tram, naast elkaar rijdend in de bus, konden wij, die gewend waren elkaar zo vaak te schrijven, leren ook met elkaar te spreken. Het samen reizen, door talloze donkere straten, bood een nieuwe vertrouwelijkheid. Aan deze busreizen kwam na een klein misverstand een onverwacht einde: ik had thuis op straat een deftige herenjas gevonden, diepzwart en van een onverwoestbare kwaliteit. Een label erin gaf de naam van een verdwenen begrafenisondernemer en het ingeweven, lang geleden verlopen telefoonnummer telde slechts vier cijfers. Dit leek me een geschenk uit de hemel voor mijn penvriend, die net als de verdwenen doodgraver een lange gestalte had. Mijn brief erover werd beantwoord met het enthousiaste verzoek er zo spoedig mogelijk mee langs te komen, aangezien P. al enige tijd in een tot de draad versleten winterjas liep. Nu denk ik dat P. meende dat ik de jas had verzonnen, als gespeelde aanleiding om elkaar snel weer te zien. Toen ik het weekeinde daarop, in het huis aan het meer was aangekomen, mijn tas opende en de jas trots wilde tonen, moest ik deze onmiddellijk weer inpakken. Ik kreeg een plastic zak - P. wilde de jas liever niet aanraken - en we liepen terug naar buiten om deze zak in het aardedonker, als waren wij mannen met een luguber zaakje, in een openbare afvalbak aan de Brink weg te moffelen. Armoede is daarna nooit meer in onze brieven voorgekomen - en sindsdien maakten wij niet langer gebruik van het omslachtige openbaar vervoer, maar nemen wij, zoals P. doorgaans doet wanneer hij alleen reist, een taxi. De brieven hierover, die ongetwijfeld bestaan, blijven onvindbaar. Ze houden zich schuil. In een brief van 17 december 1983 kom ik wel het volgende tegen:

"Ik weet niet of je geen schrijftalent zou hebben gehad, maar zeker zal je beter fungeren en gelukkiger zijn als technicus..."