Home

Impasse

door Johan Polak & Frans Goddijn
Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water op de koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

["Impasse", Martinus Nijhoff vóór 1935]

Geen Nederlands dichter heeft met meer bezetenheid verzen geschreven over het verzen maken dan Martinus Nijhoff. Hij heeft duidelijk laten zien wat er aan het schrijven van een gedicht vooraf gaat en hij heeft niet geschroomd in de meest smetteloze verzen rekenschap te geven van zijn perioden van niet-kunnen. Daar was, in de tijd waarin Nijhoff dit deed, bepaald moed voor nodig. Een werkstuk hoorde voltooid te zijn, niets mocht aanduiden hoeveel moeite het had gekost het gedicht, de roman of het toneelstuk te voleinden. Kladjes, concepten, drukproeven, alles werd zoveel mogelijk vernietigd, alleen het uiteindelijke werkstuk gold. Natuurlijk is niet elke kunstenaar erin geslaagd om de voorstadia van zijn arbeid uit te wissen. De 'Aeneis' van Vergilius bleef behouden ondanks zijn uitdrukkelijke wens, welke hij te kennen had gegeven aan keizer Augustus, om het manuscript te verbranden. Vaak is de vraag gesteld waarom Vergilius de vernietiging van zijn levenswerk had gewild. Dat het niet volledig was afgekomen, kan niet de enige reden zijn geweest. Ook Vergilius, de grootste dichter van het avondland, moet hebben beseft dat hij in een impasse verkeerde, dat zijn schitterende verzen, met zoveel zorg geschreven en bijgevijld tot zulk een formidabele klankenpracht, niet in staat waren geweest de sombere schaduwen, die om de mensheid hingen, weg te vagen. De maatschappij die hij liefhad, stond op instorten, zonder dat zichtbaar was wat er zou gaan komen. De beste moderne interpretatie van het dilemma dat Vergilius op zijn sterfbed voor ogen stond, is gegeven door de Oostenrijkse schrijver Hermann Broch die heeft voorzien en aan den lijve ondervonden dat de Weense droom van roekeloze schoonheid, welke heeft voortgeduurd tot omstreeks 1929 geen bescherming kon bieden tegen kwaad en vernietigingsdrift. Een van de mooiste romans, geschreven over de impasse waarin een dichter kan verkeren, is Brochs "Der Tod des Virgil" (in een schitterende Nederlandse vertaling verkrijgbaar, van de hand van Anneke Brassinga). Een sprekend voorbeeld van de schrijver die eveneens in een langdurige impasse heeft verkeerd, maar in staat was deze plotseling, als bij toeval te overwinnen, is Marguerite Yourcenar. Vanaf haar achttiende jaar had zij het concept van een te schrijven roman over keizer Hadrianus [regerende over Rome van 118-137 n.Chr] in haar hoofd. Zij had voor de oorlog wel werk gepubliceerd, maar het lukte haar niet dit grootse romanconcept gestalte te geven. Met een van de schepen die van Frankrijk naar Amerika voeren, zocht zij, kort voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog, haar toe vlucht tot de nieuwe wereld. Zij gaf daar les, maar slaagde er niet in als schrijfster aan het werk te komen. Kort na afloop van de oorlog ontving zij uit Zwitserland een kist met brieven en persoonlijke papieren. Bij de haard gezeten, opende zij alles, las het vluchtig door en wierp het meeste in het vuur. Op zeker ogenblik vouwde zij een tiksel open met de aanhef "Waarde Marcus". Wie was Marcus? Zij kon zich niet herinneren ooit een Marcus onder haar vrienden te hebben geteld. Toen drong het tot haar door: deze Marcus was Marcus Aurelius, de latere keizer, die van 165-183 n.Chr. over Rome heeft geregeerd, door adoptie kleinzoon van Hadrianus. Ter geschiedkundige opheldering: in de tweede eeuw van onze jaartelling is Rome geregeerd door vijf uitermate bekwame staatshoofden, de vijf 'boni', de 'goede' keizers geheten. Hadrianus was de derde in deze illustere rij, Marcus Aurelius de vijfde en laatste, op verzoek van Hadrianus door de vierde goede keizer, Antonius Pius, geadopteerd. De Romeinen konden toen niet vermoeden dat de tweede eeuw het einde inluidde van een vreedzaam en welvarend Romeins wereldrijk, waarover de schaduwen al langer vielen na de zonnige en warme dag.

"Hadrianus' Gedenkschriften" behelst een uitvoerige lange brief aan de toekomstige heerser van Rome, Marcus Aurelius. De aanhef, 'Cher Marc', is daarvan het begin. Toen zij deze regels, in haar jeugd neergeschreven, herlas, besefte zij dat die het begin zouden vormen van haar roman. Kort tevoren nog had zij in haar dagboek genoteerd "verkerend in de wanhoop van een schrijver die niet schrijft". Nu was haar impasse doorbroken en had zij maar één doel voor ogen: het boek voltooien. In 1951 was het zover en al in 1952 verscheen een Nederlandse vertaling in de boekhandel die nauwelijks werd verkocht.

In 1936 publiceerde Martinus Nijhoff een cyclus van 8 sonnetten, getiteld "Voor dag en Dauw". Het laatste sonnet van deze reeks doet sterk denken aan het sonnet waarmee dit artikel begint. Het is ook bijna hetzelfde, maar met twee opmerkelijke verschillen: de glycine ("blauwe regen", een struik verwant aan de "gouden regen") en het tuimelraam zijn vervangen door de treinreis naar een ander land. En het antwoord op de vraag "waarover wil je dat ik schrijf" luidt niet langer "ik weet het niet".

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.
Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?
Juist vangt de fluitketel te fluiten aan.
Weer is dit leven vreemd als in een trein
te ontwaken en in een ander land te zijn.
En zij antwoordt, terwijl zij langzaam-aan
het drup'lend water op de koffie giet
en de damp geur wordt: een nieuw bruiloftslied.

Een naoorlogs dichter, die prachtig over de impasse heeft geschreven, is Martin Veltman. Ik leerde hem kennen toen we beiden twintig waren. Waarschijnlijk heb ik hem voor de eerste maal ontmoet bij de dichter en sprookjesschrijver Jacques van Hattum. Van Hattum, die zelf nooit last heeft gehad van een "writer's block" - en evenmin van de aandrang om voorstudies te vernietigen, ten gevolge waarvan de uitgever van zijn komend Verzameld Werk kan kiezen uit een dermate massale produktie, dat een wetenschappelijke uitgave een levenswerk zou betekenen - , omringde zich met begaafde jonge literatoren en schilders. Martin Veltman was een van hen. Samen met een wat oudere collega bestierde ik vanaf 1953 een klein liefhebberij-uitgeverijtje. Boeken, uitgegeven door zo een bedrijf zonder erkenning, mochten niet in de boekhandel worden gevoerd. Maar onder de tafel, heel tersluiks, werden ze wel verkocht, indien er al enige vraag naar bestond. De boekjes, doorgaans bundels bevattende poëzie, een verhaal of een kort essay, kostten vijfentwintig cent. Belangstellenden konden zich abonneren op een hele serie. Onlangs bevond zich een stel van deze boeken in veiling en nu was de geschatte prijs het honderdvoudige... De reeks opende destijds met een bundel van Martin Veltman. Nog kan ik, hoewel ik de verzen al bijna veertig jaar niet meer in handen heb gehad, regels van hem citeren:

Je zei het is nog februari
maar 's ochtends zingen vogels
zo uitbundig
tegen mijn bedroefd ontwaken aan
dat ik mijn jas vergeet
en neuriënd de dag bestijg

Ik kan vandaag, werkend in een klein kantoor, (in de geur van kerriekippen die onder mijn raam worden gebraden in een glazen vitrinekast waar hongerige passanten met winkelwagentjes langs komen lopen) vanachter het beeldscherm, niet bij de boekjes in de bibliotheek elders, om te verifiëren of de regels kloppen. Citeren uit het hoofd is hachelijk! "De Beuk", zo heette deze kleine uitgeverij, gaf nog een tweede bundel van Veltman uit, geschreven onder invloed van de oorlogsdreiging van de vijftiger jaren (eerst beefde de hele wereld voor Stalin, die in zijn laatste ogenblikken nog had besloten tot een proces tegen Joodse artsen in Moskou die zouden hebben samengezworen tegen zijn leven. Na zijn dood zorgden opvolgers voor de nodige nieuwe opwinding. Suez, Boedapest en Berlijn zijn mijlpalen op deze gevaarlijke weg). Veltmans bundel vormde een poëtische neerslag van deze nerveuze tijd. Ook dit boek bleef vrijwel onopgemerkt, al sprak een enkele recensent, die het talent in de verzen met een scherp oog had gezien, van "stofgoud". Daarna leek het met het dichterschap van Martin Veltman gedaan. Martin, al in het begin van de jaren vijftig werkzaam bij een reclamebureau, ontdekte zijn gave als copywriter en stichtte met twee anderen een eigen zaak.

Een werkdag. Kwart voor negen in de morgen.
Ik doe de lampen aan in mijn kantoor.
De geur van koffie doet zich aan mij voor.
Nog lijken de burelen uitgestorven.

(Weinige medewerkers houden woord.
Hierover waren wij het eens geworden:
het aanvangstijdstip. Voor de goede orde
bevestigd en getekend voor akkoord.)

Ik kijk in mijn agenda hoe opdrachten
van uur tot uur gearrangeerd zijn; buiten
het dagelijks kontakt met ijdeltuiten,
stakkers en talenten, staat mij te wachten:

tweemaal vergaderen en tussendoor
de lunch gebruiken met een kletsmajoor.

["Agenda" uit 'De zaken & de dood' Amsterdam 1980]

Aan hem kan een aantal one-liners worden toegeschreven welke zijn doorgedrongen tot het dagelijks taalgebruik van de Nederlandse consument. "Heerlijk Helder Heineken", "'s lands grootste kruidenier blijft op de kleintjes letten", "Eenmaal per etmaal een eimaal", het zijn onvergetelijke versregels op zichzelf, die (grotendeels onbewust) deel uitmaken van het Nederlandse gevoel voor metriek en rijm. Ontelbare malen gedrukt, gezegd en uitgezonden, zijn zij zelfs doorgedrongen in een film waarvan je dat niet zou hebben verwacht, de destijds geruchtmakende rolprent SPETTERS. De jongen, aan wie ik in een moment van zelfoverschatting meende te mogen voorspellen, dat hij zich zou ontwikkelen tot een van Nederlands grootste dichters, was achter de reclameschermen uitgegroeid tot onze grootste copywriter. Toch verkeerde hij naar eigen zeggen in een impasse.

Vroeger heb ik gedichten opgeschreven
die uit mijn donker kwamen. Diafaan
drongen de nevels uit mijn droom vandaan
en sluierden het onverklaarde leven.

Duistere zang als rook voorbij gegaan.
Hermetische poëmen. Uitgedreven
en aan de goegemeente prijsgegeven.
Bij navraag bleek geen mens ze te verstaan.
[.....]
[Uit "De zaken & de dood"]

[.....]
Geld bouwt een muur. Van achter en van voren.
Hij weet bij god niet waar hij thuis zal horen.
Verzen en leuzen vallen door elkaar.
Hij geeft zich over aan de ronselaar.
Hij timmert de geheime deuren dicht.
Diep in het huis verschanst de jongen zich.

[uit "Spiegelgevecht" Amsterdam 1981]

Pas nadat hij zich in 1980 had losgemaakt van het reclamebedrijf, had hij voor de tweede maal, nu op middelbare leeftijd en als vrij man, zijn pen weer opgevat.

Ida Gerhardt beschrijft in één kort, aangrijpend vers, hoe zij aan haar bureau gezeten, in wat Nabokov noemt "a pen-poised pause", als in een visioen haar moeder ziet - en het gedicht.

Mijn pen, te lang terzij gelegd,
terzij, gelijk ik zelf wou zijn,
had taal en teken mij ontzegd
en gaf, vol stolselen, geen begin.
Ik doopte hem in water in.
En in de schaal met water zonk
de droppel, het ultramarijn,
en heeft zich zwevende verdeeld.

En uit het nevelend blauw ontstond
een langzaam losgewonden beeld,
de eindelijke, de moeder mijn,
lieflijk van ogen en van mond.
Hoe zacht en ernstig zag mij aan
wier kind, wier blijdschap ik mocht zijn,
nieuw en van donkerte ontdaan.
- En wenkte nog en was vergaan.

["In nevelen (ballingschap tot het vers)", uit Ida Gerhardt, Verzamelde Gedichten]