Home

Hol

door Johan Polak & Frans Goddijn
Gerard R. is een originele schoolmeester. Geen verstokte anthroposoof, al maakt hij zich zorgen dat in de strijd tussen Servië en Kroatië het dorpje Kraljevec, waar Rudolf Steiner werd geboren, zal worden platgewalst. Gijsje, spraakmaker in de klas van R., was jaren geleden al een geliefde en bewonderde maar af en toe onhoudbare leerling. Letterlijk alles in zijn omgeving nam hij waar en op alles reageerde hij even driest. Toen meester R. eens tot het uiterste was getergd, greep hij een kartonnen doos van de platte stapel die in een hoek van de klas klaarlag voor de aanstaande verhuizing van de school. Hij vouwde deze uit en riep streng: "Gijs, kom hier!!" Gijsje sprong uit zijn bank en kroop zonder aarzeling vrolijk in de doos. Meester vouwde het deksel dicht, schoof het moeilijk opvoedbare pakket onder het fonteintje achter in de klas en vervolgde zijn les, ademloos gehoorzaamd door de rest van zijn klas. Deze vondst werd een pedagogische gewoonte, al stond deze in het werk van Steiner nergens voorgeschreven. Eén doos was steeds gereed voor Gijs. De duisternis en de kartonnen wand, die indrukken van buitenaf tegenhielden, hadden een heilzame werking waar Gijsje ook zelf aan gehecht raakte. Wanneer de meester na tien minuten op de doos tikte en vroeg "Gijs, gaat het weer?", dan kwam het voor dat Gijsje met een donkere en theatrale grauw, waarvan het karton ging beven, aangaf dat hij nog langer moest "brommen".

"Vanmiddag om drie uur," zo faxt mijn vriend Freek, "na uren van gesleutel aan gevechtsteksten om een van onze zakelijke partners klein te krijgen, of liever nog voorgoed te vermorzelen, ben ik tijdens een korte pauze het grondstoffenmagazijn ingelopen. Zeven meter hoge torens van rollen gestapeld karton, elke rol met een gewicht van achthonderd kilo. Tussen die stapels kan niemand zich een nieuwe weg banen. Al zigzaggend tussen stellages van bovenmenselijk formaat liep ik zo steeds dieper de stilte van het magazijn in, omringd door het onverzettelijk gewicht van de stof waar bij ons alles om draait. Daar stond ik tenslotte, onvindbaar op een klein binnenplein tussen kartontorens, mijn geheime plek waar niemand anders belang in stelt. Ik ging op de grond zitten, denkend, dromend, afgehaakt voor een korte meditatie. Onvindbaar te zijn, en door niemand gezocht, dat is een heerlijk gevoel."

"Het mooiste van mijn bouwwerk is de rust die er van uitgaat. Zeker, deze is bedrieglijk. Opeens kan die worden onderbroken en dan is alles uit. Maar voorlopig is de stilte er nog. Urenlang kan ik door mijn gangen schuifelen, niets anders horend dan het geritsel van een of ander klein dier, dat ik dan ook meteen tussen mijn tanden tot rust breng, of het afbrokkelen van wat aarde, dat mij de noodzaak aantoont van een of andere verbetering; verder is het stil (...). Af en toe strek ik mij uit en wentel ik mij voldaan rond in de gang (...). Daar slaap ik de zoete slaap van de vrede, van de tot bedaren gebrachte verlangens, van het bereikte oogmerk des huiseigenaars (...). Arme zwervers zonder huis, op landwegen, in de bossen, in het gunstigste geval verscholen in een bladerhoop of tussen een kudde kameraden, ten prooi aan alle verderf van hemel en aarde!"

[Franz Kafka, "Der Bau"]