Home

Hiss / Kiss

door Johan Polak & Frans Goddijn

Twee mooie typo's, op één dag aangetroffen. De eerste vind ik in het avondblad, waar een acteur wordt geciteerd, die nu doorgaat voor een groot versierder, maar vroeger geen raad wist met meisjes: "Een meisje kon zelfs onder mijn neus haar kleren van haar lijk scheuren, ik zou het niet hebben begrepen".

In de nieuwste roman van een van mijn lievelingsschrijvers, John Updike, getiteld Rabbit at Rest, staat een tweede drukfout, die hier prachtig bij past. De hoofdpersoon, de bijna bejaarde Rabbit Angstrom, die de lezer al dierbaar is geworden door zijn levensbeschrijving in drie voorgaande delen (Rabbit - Run, Rabbit Redux, Rabbit is Rich), rijdt over een zonbeschenen snelweg met zijn vrouw naar het vliegveld, waar zijn zoon met schoondochter en kinderen zullen landen. "Doe maar rustig aan, we hebben alle tijd", maant zijn vrouw hem op de voorzichtige, begrijpende toon die hem de laatste tijd opvalt en zo dwarszit. Een driftig rood open sportwagentje hangt achter hem. Hij mindert vaart en een "cacao-bruin zwart stuk met een grijs vilten stewardess-hoedje op" haalt hem snel in, "haar kin en lippen vooruitgestoken, keurde zij hem niet eens een zijdelingse blik waardig". Ook dit hindert Rabbit. Maar dan komt de typo. In de Engelse beschrijving van de merkwaardige vorm waarin het chroom van bumper en kofferruimte samen lippen vormen: "(it) seems to have a mouth, two fat metal lips parted as if to hiss".

In een "grote vakantie" ten tijde van mijn vroege puberteit logeerde ik met mijn moeder in een hotel te Torremolinos. We waren altijd samen, maar toch ieder in een eigen wereld. Een knappe, jonge weduwe en haar kleine, een tikje bekakt pratende zoon. Ik had in haar mijn publiek bij het ravotten in het zwembad, waaromheen verder meest jonge mensen lagen, sluimerend, of tersluiks elkaar bekijkend. Op een middag liep ik alleen naar het stadscentrum. De stoep was smal, over de slecht onderhouden, kurkdroge weg daverden grote wagens en vrachtwagens. Een poosje stond ik stil bij een paar Spaanse jongens van mijn leeftijd, die een bijzonder kansspel deden. Tussen de verdroogde struiken vonden zij kevers, zo groot als dikke zwarte knikkers. Iedere jongen gooide zijn kever naar het midden van de weg. Daar kwam het beestje met een harde tik neer, waarna het probeerde terug te rennen. De jongen van wie de kever het vaakst de weg kon afkomen zonder door een autoband te worden verpletterd, had gewonnen.

Daarna liep ik verder, tot ik een half-verlaten kermisterrein bereikte, waar pas 's avonds, in de koelte, volk zou komen. Ik reed ronde na ronde in een botsautootje, had de hele tent voor mij - alleen. Langs de kant stonden Spaanse kinderen. Telkens wanneer mijn wagentje stilviel, en ik, uit mijn broekzak vol plastic muntjes, een nieuwe haalde om in de gleuf de duwen, kwamen er meisjes op mij af, kleine meisjes, met op hun bovenlip donker dons. Zij sisten tussen hun tanden, om mijn aandacht te trekken en wezen op de zitplaats naast mij. Wat graag zou ik gezelschap hebben gehad... maar ik durfde ze niet aan te kijken.