Home

Gunning

door Johan Polak & Frans Goddijn
Vandaag viert het Amsterdams Lyceum zijn vijfenzeventigjarig jubileum.

'Naar welke school ga jij straks?', was de vraag die ons in de hoogste klas van de lagere school veel bezig hield. Ik zat op een elite-schooltje en termen als 'MULO' en 'vakschool' vielen buiten de sfeer waarin wij opgroeiden. Ik zal niet beweren dat het onze geestelijke gezondheid ten goede is gekomen of dat het zo hoort, maar het was nu eenmaal zo. De populatie van 'De openluchtschool voor het gezonde kind' in de Amsterdamse Cliostraat was samengesteld uit kinderen afkomstig van wat toen heette: 'goede buurten'. Thuis was telefoon en huishoudelijke hulp aanwezig, vader reed auto. De zoon van de concierge werd niet geacht op de school, waar zijn vader werkzaam was, een opleiding te volgen. Het was de tijd van de crisis, het stempellokaal, de algemene armoede, de klassemaatschappij. Nederigheid, dankbaarheid, hoogdoenerij, het een was onlosmakelijk met het andere verbonden. Wanneer de sneeuw viel, vochten tien mensen om de gunst, deze voor een of twee stuivers te mogen wegruimen van de stoep en het stukje straat bij de statige huizen waarin wij onze jeugd hebben doorgebracht. Dat Hitler in die jaren voor de deur stond met zijn Wehrmacht en Gestapo was, zo leek het, tot weinigen doorgedrongen, zelfs niet toen de schoolklassen bevolkt raakten met kinderen die een eigenaardig nederlands spraken en in hun levensvoering een welstand verrieden, die bij ons, ook al waren we afkomstig uit een zogenaamd gegoed gezin, volslagen onbekend was. Wij verdiepten ons in ons schoolwerk, in onze kalverliefdes, in sport en vacantiebestemming. We leenden onze boeken uit de bibliotheken in de buurt, hooguit drie per week voor een kwartje - als gretig lezer mocht ik er bij hoge uitzondering negen meenemen voor vijftig cent, de juffrouw had, zoals mijn moeder placht te zeggen, 'een oogje op me' (ik wist niet wat dat betekende). En toen was de school ineens voorbij en Nederland een bezet land. De middelbare school doemde op: het Vossius Gymnasium, het Barlaeus, het Hervormd Lyceum, de Tweede Vijf en... 'Gunning'. Zo werd toen gesproken, de grotere gemeenzaamheid in benaming houdt gelijke tred met de keuze. Het Barlaeus trok meer leerlingen dan het Vossius Gymnasium, de Tweede Vijf veel meer dan het Hervormd Lyceum, maar 'Gunning' sloeg alles. 'Gunning' was het 'Amsterdams Lyceum'. De bouw van de lokalen, de inrichting van de aula, de gerekte speeches van de rector die veel weg hadden van de preken in een hervormde kerk - Dr. C.P. Gunning hoorde zichzelf graag spreken -, het door leerlingen gekozen schoolbestuur, het klasseboek, de lyceumdas (hemelsblauw, wit, knalgeel), het had de onmiskenbare smaak, flair en stijl, waarin je Gunning onmiddellijk herkende, deze edele, hartelijke, warme, moedige en wat plechtstatige man. Zelf heb ik veel van Dr. C.P. Gunning gehouden, ik heb nooit een woord kwaad over hem willen aanhoren en ik geloof ook niet dat er meer kwaad in hem school dan een behoorlijke portie ijdelheid. Daarvan was hij zich ook bewust en dat droeg weer tot zijn geliefdheid bij! Ik zat één maand op school en toen moesten de Joodse leerlingen van school af. Ik herinner mij de 'Vaart Wel'-bijeenkomst in de aula, in de eerste dagen van october 1941. Gunning huilde en moest door enige van zijn oudste leerlingen, grote mannen en vrouwen, dacht ik toen, worden getroost en naar zijn rectorskamer weggeleid. Wat een gevaar heeft hij gelopen, door zo een bijeenkomst te houden, om meteen te worden gearresteerd en in een concentratiekamp opgesloten. Hoe anders was het gedrag van de meeste zijner naaste collega's... Het lot van de onverwachts tot oud-leerling geworden jonge mensen betekende voor de meesten de dood. Voor de weinigen die terugkeerden en na de oorlog hun opleiding bij Gunning mochten voortzetten, geldt wat J. C. Bloem onder woorden heeft gebracht: "...en niet // één van de ongeborenen zal de vrijheid // ooit zo beseffen."