Home

K.J. Dover, Greek Homosexuality vertaald

door Johan Polak & Frans Goddijn
Is het klassieke Griekenland ten onder gegaan aan homosexualiteit? Was de eigensexige liefde, om met Couperus te spreken, een taboe voor de Grieken? Bewijzen hiervoor ontbreken te enen male, maar zeker aan het begin van de twintigste eeuw was menig geleerde bereid deze vragen met een krachtig "ja" te beantwoorden. Vanaf 700 voor onze jaartelling tot grofweg de tweede eeuw na Christus is de griekse maatschappij verscheiden geweest en gekenmerkt door een open verstandhouding tot homosexualiteit, al was deze soms meer, soms minder sympathiserend. Alle Grieken waren zich bewust van het bestaan van deze vorm van liefdesbeleving naast de heterosexuele. Beelden, beschilderde vazen en wat er is overgeleverd aan poëzie en proza (historisch, redekunstig en wijsgerig) laten in deze geen twijfel over.

De dubbele moraal van de Victoriaanse preutsheid zette zich rond de laatste eeuwwisseling voort in een soms bespottelijke houding van geleerden, die het moeilijk hadden met de vrije opvattingen in het oude Griekenland. Een aantal van hen was zelfs bereid in teksten wijzigingen aan te brengen. De vermaarde classicus Ulrich von Wilamowitz-Moelendorf met name ontzag zich niet fragment 2 van Sappho, een van haar mooiste gedichten, om te bouwen tot een bruiloftslied, om zo te ontkomen aan de enig mogelijke uitleg. Sappho beschrijft in deze verzen de lichamelijke aandoening die haar overvalt wanneer ze, door hartstochtelijke verliefdheid bevangen, kijkt naar een meisje dat met een man in gesprek is. Over de mogelijkheid dat deze man haar toekomstige echtgenoot zou zijn, wordt in de verzen niets, maar dan ook niets meegedeeld:

Gelukkig als de goden lijkt
mij de man die vlak
tegenover jou zit en luistert
naar je mooie stem

en lieve lach zodat plots
mijn hart in mijn borst bonst
zodra ik naar je kijk
stokt mijn stem

mijn tong is gebroken,
een licht vuur loopt door
mijn huid, ik zie niets meer
mijn oren suizen

zweet stroomt van mij af
een beven bevangt me
ik ben groener dan gras
het lijkt of ik dood ga
.....

vert. Paul Claes

Wilamowitz heeft in de laatste regels, die onherstelbaar beschadigd zijn en misschien een zelfvermaning hebben ingehouden in de zin van "maar wat het ook is, het moet al gedragen", de niet bestaande meisjesnaam Agallis ingevoerd! "Fassen wir die Dinge so concret, so real, wie sie sich darstellen. Da sitzt der Mann, da sitzt Agallis, da kommen die Gäste und gratulieren..." Wat een idioot bruiloftslied is dat, waarin de dichteres die door Wilamowitz geacht wordt het gedicht zelf voor het bruidspaar te zingen, overvallen wordt door hartstochtelijke gevoelens van liefde voor de bruid? Wat moet de bruidegom, wat moeten de wederzijdse ouders daar niet van denken! In de oudheid, toen het gedicht nog volledig bewaard was, maar ook in de renaissance en tijdens de barok is deze schepping van Sappho beschouwd als een van de meest schitterende liefdesverzen ooit geschreven. "Slechts eenmaal in het verloop van twee en een half millennium", zo zegt Denys Page, de engelse Sappho-bezorger, over deze opzettelijke misinterpretatie, "is het vers ten onrechte anders uitgelegd."

Niet dat het commentaar van Wilamowitz in zijn eigen tijd geen reacties zou hebben uitgelokt. P.C. Boutens, de eerste Nederlander die naganoeg alles wat omstreeks 1920 van het werk van Sappho bekend was, in onze taal heeft herdicht, schreef in zijn inleiding: "...de niet minder benepen aantijging van fatsoenlijkheid door de ridders van de filistijnse figuur, die haar hartstochtlaaiende gedichten pogen te verlagen tot een soort muffe kostschoolpoëzie. Het is alles het zelfverdoovende gekakel in het drekkig-donkere hoenderhok, dat zich wijsmaakt den opstijgenden leeuwerik te overstemmen."

Om nu eens precies te achterhalen hoe de situatie werkelijk is geweest, zou je over een geleerde beschikt moeten hebben zoals Kinsey, die in de veertiger jaren een onderzoek heeft ingesteld naar het sexuale gedrag van de man. In het begin van de vijftiger jaren is dit Kinsey-rapport gepubliceerd. Het bracht een schokgolf teweeg in de beschaafde wereld. Kinsey toonde met behulp van droge statistieken aan dat één op de drie mannen in Amerika minstens eenmaal in zijn leven een homosexuele ervaring leidend tot orgasme had gehad. Men was zeer ontstemd over zoveel onverdraaglijke waarheid en de vermanende vinger dat dit slechts gold voor de amerikaanse en niet voor de europese man, is ook in Nederland meermalen opgestoken. Jammer genoeg is het niet mogelijk een enquête te houden onder mensen die er niet meer zijn. Wij verkeren echter in de gelukkige omstandigheid dat de oude Grieken ons een schat aan beelden, geschilderde vazen, potscherven en literatuur hebben nagelaten.

In een boek met een rijkdom aan citaten, getiteld GREEK HOMOSEXUALITY(London 1978) heeft K.J. Dover nauwkeurig plaatsen bijeengebracht waar in de griekse letteren sprake is van homosexualiteit. Deze uitingen heeft hij extra bewijskracht verleend met de afbeelding van schilderingen. Hij heeft getracht hiermee eens en voorgoed af te rekenen met alle dwaze, niet op voldoende kennis gegronde, twistgesprekken over homosexualiteit in het klassieke Griekenland. Uiteraard hebben wij maar een klein gedeelte van de griekse literatuur en de vaasschilderkunst over, maar dat gedeelte is zo prachtig en zo onmiddellijk opgeweld uit het hart van de maker, dat het zich uitstekent leent voor een open, niet-bevooroordeeld commentaar. Dit boek van Dover is nu, elf jaar na eerste verschijnen, in het nederlands uitgekomen, voorzien van een nieuwe inleiding en uitmuntend vertaald, zoals te verwachten was, door de classicus en homoloog Wim Hottentot. Het boek van Dover is allesbehalve eenvoudig. De vraag doet zich voor of een niet-classicus gemakkelijk met Dover kan meespringen van lyriek naar tragedie, van tragedie naar komedie en van de redenaars naar de filosofen. Beknopte inleidingen met betrekking tot de behandelde schrijvers zouden niet hebben misstaan, vooral omdat sprake is van schrijvers die soms meer dan een eeuw met elkaar in leeftijd hebben gescheeld. Het fijne van dit boek is de droge, niet-belerende, van alle emoties verstoken toon. Alleen zó kan homosexualiteit, een verschijnsel dat veel emoties oproept, goed bestudeerd worden.

De Grieken zijn zich bewust geweest dat de opgroeiende jongeman, op het punt om manbaar te worden, erg aantrekkelijk is. Tegenover sexuele relaties tussen volwassen mannen hebben zij vermoedelijk met voorbehoud aangekeken, maar echt belangrijk vonden zij wat aan een inwoner van de stadstaat in het bezit van burgerrechten wel of niet geoorloofd was. De verhouding tussen de erastes (minnaar) en de eromenos (beminde) werd niet afgekeurd, vooral omdat deze strookte met het opvoedingsideaal: de jongere werd door de oudere man tot een dapper soldaat en een goed burger gevormd. De spartaanse maatschappij was volledig op deze betrekking tussen mannen ingericht. Een jongeman had het recht om te trouwen, maar hij verbleef samen met andere mannen in de kazerne en de nachtelijk bezoeken aan zijn vrouw dienden geheim te blijven. In Athene, een veel liberalere maatschappij, was meer toegestaan, maar ook daar gold het als het hoogste goed in de relatie tussen erastes en eromenos om niet aan de sexuele begeerte toe te geven. De vazenschilderingen en de komedie wekken bepaald niet de indruk dat aan deze strikte zedelijkheidseisen doorlopend is voldaan. Tegen prostitutie, inzoverre het niet-burgers en vreemdelingen betrof, bestond geen bezwaar, maar de jonge burger mocht zichzelf niet prostitueren op straffe van verlies van burgerschap en het recht om openbare ambten te bekleden. Voor geld zichzelf onderwerpen aan een door een oudere man te verrichten liefdesdaad die bijna altijd neerkwam op anale penetratie, werd als uiterst oneervol beschouwd. Veel processen die in de vierde eeuw zijn gevoerd, draaien hoofdzakelijk om dit punt.

Het blijkt dat de Grieken zich niet erg bekommerden om homosexualiteit als zodanig, maar alleen om de wijze waarop deze werd beleefd in verband met de sociale status van de betrokkenen. Maar, zal de lezer van deze bespreking vragen, hoe moet dan het Symposium, een van de beroemdste dialogen van Plato, in het licht van deze opvattingen geduid worden? Die vraag is bepaald niet voor de eerste maal gesteld. Plato immers laat een aantal mensen bij elkaar komen voor een feestje om de overwinning in de tragediewedstrijd van de gastheer te vieren. Het gesprek aan tafel gaat over de liefde, in het bijzonder over de wijze waarop de godheid Eros geëerd moet worden. Plato, die zelf uit de hoogste kringen stamde, recruteerde zijn vrienden en leerlingen voor het merendeel uit de aanzienlijke stand, de zogeheten 'leisure class'. De indruk bestaat dat deze jongemannen, die niet behoefden te werken voor de kost, veel in de worstelperken en de openbare baden te vinden waren. Het is dáár dat Socrates, Plato's leermeester, zijn gesprekspartners vindt.

Het beeld dat Plato in het Symposium geeft van zijn vereerde leermeester is onvergetelijk: eerst als disgenoot die de gedachte over liefde uiteenzet welke afkomstig zijn van de priesteres Diotima, daarna als de ideale minnaar in de ogen van de dronken Alkibiades, de lieveling der Atheners. Socrates had zich niet laten verleiden door de aantrekkelijke Alkibiades en bleek niet bereid kennis in te ruilen voor een nacht van sexueel genot. Ook bij Plato gold als hoogste ideaal dat de verhouding van de oudere tot de jongere man in het teken zou staan van opvoeding, onderricht en onthouding. In het nederlands is dit verwoord door Ida Gerhardt in haar korte epos TWEE UUR: DE KLOKKEN ANTWOORDDEN ELKAAR. De verteller is vertwijfeld door de kloof die is ontstaan tussen jeugd en ouderen.

Toen zag mij Plato's Theaetetus aan:
sober en statig van belettering
de Griekse tekst binnen de strakke rand.
Een groene twijg, een lauwer ongerept
lag overlangs het blad - kronend de plaats
waar zij, een machtig denker en een knaap,
tesamen peilen wat mathesis is,
en waar hun beider adel het bestaat
elkaar tot hulp te zijn, zodat niet faalt
de opdracht steeds gesteld: de dialoog.

In andere streken van Griekenland, zoals in Boeotië, was de homosexualiteit nog verder ingeburgerd. De staat zette de minaars en de beminden naast elkaar in het leger en er was een 'heilige schare' die uitsluitend bestond uit vriendenparen. Deze zijn allen op het slagveld gevallen, toen zij met de verbonden Grieken in 338 hebben gestreden voor het behoud van hun onafhankelijkheid tegen de oppermachtige Macedoniër Philippus II. Over deze veldslag, die het einde betekende van de griekse vrijheid, is veel geschreven. In enkele regels biedt P.C. Boutens het wezenlijke daarvan:

.....
op onze eenparige afspraak en gelofte
van nooit den glans van Hellas te overleven
in den voornacht van onzen eersten dood,
van Chaironeia, waar wij allen bleven
opnieuw gezaaid in den Boiootschen grond.

De lezer zal genieten van het boek van Dover waarin het hachelijke onderwerp homosexualiteit op een hoog wetenschappelijk peil behandeld wordt. Ook zal de lezer er het gelijk van onze dichters, die Dover stellig niet gekend heeft, in bevestigd zien. Bert Bakker mogen wij dankbaar zijn voor zijn durf een nederlandse vertaling te hebben uitgegeven.