Home

Gebak

door Johan Polak & Frans Goddijn
J. moet een lezing houden voor de Technische Universiteit van de lichtstad. Aan beide uitgangen van het station zijn leegte en lelijkheid - wij maken de oversteek van de ene vluchtheuvel naar de andere, tot we ons veilig wanen op een breed pad. In de verte liggen grote gebouwen, gescheiden door wegen en weidse vlakten.

Krachtoverbrenging, sterkteleer, constructie,
behielden stelsel tussen u en mij.
Ik blijf omgeven van een overzij,
die zich doet onderkennen bij conductie.


[Gerrit Achterberg]

Piepend remt een sportfiets: Aldert Walrecht waarschuwt streng dat we ons op het fietspad bevinden. Ik neem zijn rijwiel aan de hand, zodat hij samen kan lopen met Q. Gretig wisselen zij invallen en citaten uit, nu ze kunnen praten zonder schrijfmachine. Het valt me op dat ze beiden een lange mantel dragen, van grof weefsel in visgraatmotief, alsof de twee in mijn ogen oudere heren zich krijgshaftig in iets te krappe vechtjassen hebben gestoken, optrekkend tegen de schrale kou. Aan het stuur van de fiets bungelt gebruiksklaar een rol plakband, het afgerolde deel kleeft aan het chroom. In de boodschappenmand ligt een citroengele ijsmuts. Waarom die rol plakband en die ongebruikte muts? Een schermpje, op het stuur gemonteerd, telt digitaal seconden af. Dan komen we bij ons reisdoel, een gebouw dat niet de geringste moeite doet om mooi te zijn. Hier en daar leiden trappen over een tochtige bunkergracht naar binnen. Daar zien we honderden opgeschoten, bleke jongens aan tafels, in de ene hand speelkaarten, lichtbruine boterhammen in de andere, op een aandoenlijke manier in hun meest afstotelijke groeiperiode. In een zaal met mica kroonluchters zit het gehoor, literair geïnteresseerde studenten en wat oudere burgers van de stad, met thermoskannen koffie voor zich. De praeses, een jonge student, neemt de microfoon en stelt de spreker voor. Terwijl Q. daarna spreekt over boeken, uitgevers, over zijn val van de trap aan boord van een motorjacht, waarbij hij neerkwam voor de voeten van de romanschrijfster Marguerite Yourcenar - "Madame, aan Uw voeten is mijn plaats!" - kijkt, naast hem gezeten, de voorzitter rond. Voor hem op tafel staat een grote taart. Na een poosje pakt hij twee glazen kommen en schept zichzelf en J. een flink stuk gebak op. Hij begint, weinig ontspannen onderuit gezakt, te smullen. J. wacht met eten en merkt op dat hij nu een paard is, achter een wortel sjokkend, welke hem door de berijder wordt voorgehouden. Toch is er in zijn anekdotes vaak sprake van taart, wanneer een bestse ller werd gevierd of een debuut ten doop gehouden. De voorzitter spit geduldig in zijn gebak, waar de vruchtengelei en de stijfgeslagen room aan alle kanten van afvallen. Het betoog gaat vergezeld van het geklik van bestek en beide worden electronisch in de zaal versterkt.