Home

Exodus

door Johan Polak & Frans Goddijn
Toen kwam er een nieuwe koning over Egypte, die Jozef niet gekend had. Deze nu zeide tot zijn volk: Zie, het volk der Israëlieten is groter en talrijker dan wij. Welnu, laten wij met beleid tegen hen optreden, opdat zij zich niet vermenigvuldigen en zich - als wij in oorlog komen - bij onze tegenstanders aansluiten, tegen ons strijden en uit het land wegtrekken (Exodus 1:8-11).

De dreiging die van deze tekst uitgaat, is nooit weggenomen. Volksmenners maken zich telkens opnieuw meester van de massa. In welgekozen bewoordingen vragen zij of de joden het niet aan zichzelf te wijten hebben dat de volkswoede zich op hen heeft gericht. Hebben zij niet een positie ingenomen, die hun, krachtens hun aantal, niet toekomt? De lezer die goed in de actualiteit is ingevoerd, plaatst deze woorden onmiddellijk bij de inmiddels alweer van het politieke toneel verdwenen president van de duitse Bondsdag, de brave heer Jenninger, die herdacht dat vijftig jaar tevoren de Rijkskristalnacht had plaatsgevonden.

Zelfs hij, die met de beste bedoelingen een herdenkingstekst had opgesteld en zich kon verheugen in de begripvolle vriendschap van israëlische politici, deels overlevenden van het drama dat door hem zo gevoelvol in de herinnering werd geroepen, zelfs hij wist niet anders dan terug te grijpen op overwegingen die altijd en overal hetzelfde hebben geklonken.

Nog onlangs stond in een landelijk avondblad een artikel over het Na-oorlogse antisemitisme in Polen (van de 2,5 miljoen joden daar zijn er slechts enkele duizenden over): de joden hadden zich "genesteld" in de hoogste posities van de communistische partij, daarmee macht verwervend die buiten proportie was. Waarom herhaalt de geschiedenis zich toch steeds?

Jozef was de meest beminde zoon van Jacob. De afgunstige broers werpen hem in een droge put als prooi voor wilde dieren. Een langstrekkende karavaan brengt hen op andere gedachten. Zij verkopen Jozef, die als slaaf naar Egypte wordt gevoerd en opgenomen in het huis van Potifar, een hoveling van de farao. Jozefs diensten brengen Potifar tot welstand. Potifars vrouw hunkert naar de jonge Jozef, maar hij weigert aan haar wensen te voldoen en komt zo ten val. De wijnschenker en de bakker aan het hof van de farao vallen in ongenade en ontmoeten in de gevangenis Jozef die daar gekerkerd zit. Hij blijkt bij machte hun dromen te duiden: voor de bakker betekent dit de dood, voor de wijnschenker eerherstel. De wijnschenker vergeet Jozef en denkt pas jaren later, wanneer de farao een onverklaarbare angstdroom heeft gehad, aan hem terug. Jozefs uitleg over de zeven vette en de zeven magere jaren voorkomt hongersnood en de farao verheft hem. Zijn voorspoed zet door en op zijn dertigste brengt hij het tot onderkoning van Egypte.

En Jozef bleef in Egypte wonen, hij en zijn vaders huis; en Jozef leefde honderd en tien jaar (Genesis 50:22).

Na Jozef sterft ook de farao. Zijn opvolger heeft Jozef niet meer gekend en voelt zich bedreigd door het volk der Hebreeën, een minderheid temidden van zijn onderdanen.