Home

Elsschot

door Johan Polak & Frans Goddijn
De piepkleine stad is omgeven door een oude stadswal, waarbinnen de burgers eeuwenlang hebben gewoekerd met de schaarse ruimte. In huisjes waar nu twee jonge mensen een neiging zouden krijgen tot claustrofobie, woonden ooit grote gezinnen, die voor uitbreiding van hun woning zorgden door een bescheiden aanbouw ten koste van een stukje tuin. Om deze nieuwe woon-schil werd later een volgende gebouwd, zodat de keuken, die eerst aan de achtermuur grensde, van lieverlee midden in de woning kwam te liggen, voortaan zonder verbinding met de buitenlucht. Als in een moderne sloppenwijk in een zuidamerikaans land gaan de bouwsels in elkaar over, elk doorgangetje overkapt en bij deze of gene woning gevoegd. Al deze hollandse huisjes zijn echter uit baksteen opgetrokken en waar sloppenwijken ontstaan door bevolkingsexplosie, is deze stad over tal van jaren geleidelijk naar binnen toe aangegroeid: hard, onbeweeglijk en opeengeperst. Hoe veel er ook is geschoven met muurtjes en geruild met minieme kaveltjes tuin om nieuwe schuurtjes en iets bredere overkappingen mogelijk te maken, nooit heeft de stad haar overzichtelijkheid verloren. De straten zijn recht, de stoepen smal en elk huis heeft zijn goudeerlijke gezicht gekeerd naar de voorbijganger, die door alle schone ramen naar binnen kan kijken, ongehinderd door vitrage, gordijnen of al te weelderige kamerplanten. Binnen gebeurt niets, en dat wil men weten ook.

Nu de oudste stadskern meer en meer tot winkelcentrum wordt geplaveid, raakt de kleine nering daarbuiten in verval. Een slijter zingt het uit met mierzoete likeurtjes die in een piepklein glaasje worden gedronken door oude vrouwen, na de mis. Een kleine verkooporganisatie in dierenbenodigdheden prijst, ``voor wie van zijn huisdier houdt'', een aantal ingenieuze zakjes aan: neem een zakje uit de verpakking, vouw dit open, leg de opening over de verse hondedrol van Uw lieveling, schuif de twee kartonnetjes daaronderdoor zodat de ontlasting in het zakje belandt en draag, aan het aldus verkregen praktische handvat, dit zakje naar een gemeentelijke vuilcontainer.

De sigarenwinkel op de hoek, waar ik vroeger weleens een rokertje haalde voor een nu overleden vriend, gaat het al evenmin voor de wind. Binnen bevinden zich, wandhoog opgetast, oude voorraden tabakswaren, maar in de etalage aan weerszijden van de winkeldeur liggen op een verschoten doek kleine, glimmende periodieken vol vuiligheid. Als jongen kocht ik mijn eerste sexblaadjes ook in zo'n tabakswinkel in zijn nadagen (die winkel is verdwenen -- er staat nu een alweer armoedig geworden renovatiewoning). Zou er een vertegenwoordiger in deze blaadjes zijn, met een fijne neus voor bederf? Dan heeft hij deze winkel geroken, en de oude weduwe, moeilijk ter been, bereid gevonden zijn waar aan te bieden in ruil voor wat extra aanloop. Wie haar zaak passeert, komt langs haar woonkamer, onmiddellijk daarachter gelegen. Hier zijn de vensterramen zo mogelijk nog helderder dan verderop en niets in deze huiskamer blijft zo ongezien vanaf de straat. En toch valt er nauwelijks iets waar te nemen dat op mijn netvlies de geringste indruk achterlaat: bankstel, wandmeubel, radio, televisie. De eetkamertafel met daaroverheen een dik, gebreid sprei. Geen fruit, wel een bloeiend kamerplantje dat niet te veel water moet hebben.

``Hier heb ik mijn winkeltje, dat ik al jaren bezoek en waar ik de oude juffrouw voor de tienduizendste maal zal horen zeggen wat zij van het weder denkt. Ja, ik geef toe, regen. Motregen, preciseert zij. Ja, eigenlijk motregen. Want ik zou die stalagmiet, waarvan ik de langzame vordering van naderbij gevolgd heb, voor geen geld ter wereld durven tegenspreken.''

[Willem Elsschot, Het Dwaallicht, Querido 1969]