Home

Eline Vere

door Johan Polak & Frans Goddijn
['Eline Vere bij de psychiater' Bloemendaal z.j.(1991)]

Psychologiseren is in de literatuurkritiek van alle tijden. Het onderwerpen van romanfiguren aan een psychoanalyse is betrekkelijk nieuw. Het duiden van eigenschappen, uitspraken en handelingen van een romanpersonage is verleidelijk, maar steeds loert het gevaar ongemerkt te vervallen tot wat Freud spottend "deutelen" zou hebben genoemd. Net zomin als de dronkaard zelf merkt dat hij dronken is, zal de over-enthousiaste roman-analyticus bemerken dat de wereld door hem op zijn kop is gezet.

De hoofdpersoon van het verhaal werd doorgaans vereenzelvigd met de schrijver. De romanschrijvers hebben hunnerzijds ook niet nagelaten aan deze vereenzelviging bij te dragen. Bekend is de uitspraak van Flaubert, toen hem de vraag werd gesteld wie model had gestaan voor Madame Bovary: "Madame Bovary, dat ben ikzelf." In de voetsporen van zijn grote voorbeeld - Flaubert geldt als een van de leermeesters van Couperus - zei Louis Couperus desgevraagd: "Eline, natuurlijk ben ik dat". Het analyseren van Eline Vere, de capricieuze, languissante en verveelde vrouw die zo treurig, door een teveel aan morfinedruppels, aan haar einde komt, wordt deste moeilijker, daar er geen volledig overtuigende psychografie van Louis Couperus bestaat. Hiertoe zijn wel pogingen gedaan. Beroemd was destijds een boek van de neerlandicus H.W. van Tricht over Couperus ["Louis Couperus. Een verkenning" Den Haag 1960].

Van Tricht was de eerste die het had aangedurfd iets mee te delen over die kanten van de grote schrijver die de critici van de jaren twintig en dertig bij voorkeur met de mantel der liefde wilden bedekken. Ongelukkigerwijs ging Van Tricht, een overigens hoogst bekwaam geleerde, in zijn biografische verkenning net iets te ver. Hij mat zich de allure van een psychiater aan en liet Couperus alsnog neerliggen op de "psycho-analytic couch". Zo ontstond het niet op werkelijkheid berustende verhaal van de "père sévère", de strenge vader die zijn zoon in diens ontwikkeling zou hebben belemmerd. Sinds de verschijning van Bastets Couperus-biografie weten wij beter!

Een ander voorbeeld van psychoanalytische ontleding van een romanfiguur is op briljante wijze gegeven door de onlangs overleden Bruno Bettelheim. Hij analyseerde Portnoy, de hoofdfiguur uit de roman "Portnoy's Complaint" van Philip Roth, destijds een geruchtmakende bestseller.

Misschien met die analyse voor ogen en zelf terdege geschoold, heeft Frans de Jonghe zich aan een analyse van Eline Vere gewaagd. Eline is een dankbaar onderwerp: zij is behept met alle neurosen, die een jong meisje uit goede familie, met niet teveel omhanden, aan het einde van de vorige eeuw konden bespringen. Depressieve buien, dweepziekte, anorexia nervosa, het hoorde allemaal tot het levenspatroon van het fin de siècle. De Jonghe brengt deze ziekteverschijnselen goed in beeld en is in staat gebleken een boek te schrijven dat de aandacht waard is, maar het lijdt aan ernstige tekorten. De gang van Couperus' verhaal is niet langer te volgen en het is nodig om de roman "Eline Vere" steeds bij de hand te hebben. De sociale omstandigheden waarin Eline, naar Couperus' verhaal, is opgegroeid, worden onvoldoende in De Jonghe's beschouwing betrokken.

In zijn te weinig gekende verhandeling 'De zieke mens in de romanliteratuur' [Delft 1964, Amsterdam 1977] beschrijft Vestdijk de persoon Eline Vere als een van "de tere poppetjes uit de negentiger jaren, die aan hun decadent milieu en avontuurloos bestaan verplicht waren neurotisch te zijn". Frans de Jonghe verwerpt deze slotsom... maar toch heeft Vestdijk de spijker op de kop geslagen. Het kan geen toeval zijn dat Sigmund Freud op de gedachte van de psycho-analyse is gekomen op het einde van de negentiende eeuw in Wenen, de stad met een zeer verfijnde bezittende klasse, die niets omhanden had dan het ondergaan van alsoortige genoegens en zo, tot moedeloosheid vervallen, haar toevlucht moest zoeken tot een decadente levensstijl met bijbehorende ziekteverschijnselen, merendeels van neurotische aard. Te vaak uit het oog verliezend wanneer de roman Eline Vere gedacht wordt zich af te spelen en in welke stad (iets wat de lezer voortdurend voor ogen moet staan), verliest Frans de Jonghe greep op het verhaal. Het gevolg is dat De Jonghe's beschouwing, hoe precies ook in schema's vervat en van deel-conclusies voorzien, iets bleeks en onwerkelijks krijgt, wat ook moeilijk anders kan, aangezien een romanfiguur wordt geanalyseerd en niet een mens van vlees en bloed. We zouden veel meer van de persoonlijkheidsstructuur van Louis Couperus willen afweten voor we tot zulke vergaande gevolgtrekkingen kunnen komen naar aanleiding van een van de vele romanscheppingen, welke Couperus met zijn grote evocatieve vermogen in het leven heeft geroepen.